Roos Schlikker.Beeld Oof Verschuren

Ik lulde de angst weg

PlusRoos Schlikker

Het begon met sneller praten. Ik babbelde over beuzelarijen, wissewasjes, mijn tong klakte achter mijn tanden, ik maakte een grapje, ook al zo vlot, maar mijn adem zat hoog en als de ander lachte had ik zelf te weinig lucht om mee te doen.

Het was de angst die in mijn keel schoot. De angst die onverwacht tevoorschijn sprong. Ik dronk koffie, deed een was, bestelde een scharrelkippetje bij de poelier. En opeens praatte ik te gehaast. Alsof mijn geratel de paniek kon overstemmen.

Sinds een dierbare rondjes draait in een enge medische molen, hobbelen we van uitslag naar ziekenhuis-afspraak. Dat gaat trouwens goed gemutst. We grappen over hyperactieve verpleegsters, over dokterslingo, over de woedende vrouw die vindt dat ze te lang genegeerd wordt bij de bloedprikbalie en de halve wachtkamer op de hoogte brengt. “Ik was al lang aan de beurt, hoor! Echt! Weet u dat al? Al láng!”

Die momenten zijn gemakkelijk. Maar juist tijdens de uren dat ik niet met witte jassen bezig ben, overvalt het me. Heel lang begon ik dan fluks te praten over andere zaken. Ik lulde de angst weg. Hoopte ik. En natuurlijk mislukte dat. Want angst laat zich niet wegredeneren. Hij baant zich een weg door je gestel, door darmen, beenderen, pezen, net zo lang tot je je poreus voelt, doorzichtig bijna.

Ik heb het altijd gedaan bij moeilijke momenten. Wegduiken, verdoving zoeken, mezelf afleiden, of overschreeuwen met grappen en kabaal. Ik hoorde het me weer doen deze week. Haha, lach lach, hijg, geen lucht.

Plotseling had ik er genoeg van, die weinig geëvo­lueerde manier waarop wij mensen met emoties omgaan. Enerzijds zoekt ons hoofd voortdurend potentieel gevaar. Wat kan er mis zijn? Waar kan ik eens een potje over tobben? Tegelijkertijd wil het vluchten als de hel echt losbarst. Angst, verdriet, pijn. Ze mogen niet gevoeld, alles moet worden opgelost, weggesnoetenpoetst.

Sommige vlekken tover je echter niet weg. Daar kun je beter een tijdje naar kijken, net zo lang tot ze minder groot lijken dan je eerst dacht. Want dat gebeurt.

Ik heb het vaak gebromd als ’s nachts een zoon naast mijn bed piepte over enge dromen. “Je hoeft niet bang te zijn.” Inmiddels ben ik die zin gaan haten. Want zouden we niet veel vaker het andere moeten zeggen, vooral tegen onszelf?

Je mag best bang zijn. Op een middag wist ik dat dat waar was. Ik ging zitten naast mijn angst en besloot hem als een sportcommentator te verslaan. “Dáár komt ie aan. Hij neemt een aanloop. Hij zet af. Hij sprint, en sprint, hij jaagt, hij dendert. Wat een heftigheid, wat een natuurkracht! Kijk hem gaan, zijn hoogtepunt bereikt!”

Ja, ik praatte weer veel. Maar mijn woorden gingen nu wel over dat wat er toe deed. “En nu, hij loopt uit, het is mooi geweest. Het is tijd voor zijn welverdiende rust.” Ik rebbelde door. Net zo lang tot de angst vanzelf bij me wegsjokte. En ik stilletjes de deur uit liep. Voor een scharrelkippetje bij de poelier.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden