Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Ik lig in het ziekenhuisbed wat aan de dood te denken

PlusTheodor Holman

Ik lig in het ziekenhuisbed wat aan de dood te denken als er opeens een oude man in z’n onderbroek, met naast zich zo’n mobiele stellage waaraan allerlei zakjes en meters hangen, naar me wuift.

Ik zwaai terug.

Hij zegt iets, het lijkt op een vraag en ik zeg voor de zoveelste keer: “Non parlo italiano!

Dat interesseert hem niks. Hij blijft praten. Af en toe zakt zijn mondmaskertje wat af en hij zet hem pas weer goed als hij even uitgepraat is. Ik versta wel iets: auto, hart, vrouw, huis, voetbal… ik kan er geen wijs uit worden. Maar ik herhaal het woord voetbal, wijs op mezelf en zeg “Olanda.”

De man toont medelijden met mij. In gebarentaal. Hij kijkt naar boven of hij tevergeefs God aanroept, haalt zijn schouders op, schudt zijn hoofd en maakt een gebaar waaruit ik opmaak: het spijt me. Alles met één hand, met die andere zoekt hij steun bij die ingewikkelde stellage. Ik zeg: “Italia,” en ik steek mijn duim op. Hij knikt. Dan moet hij van een zuster doorlopen, want hij verspert de weg in de gang waar ik lig. Maar als hij langs me loopt, doet hij iets wat in verband met corona niet mag: hij raakt me aan en knijpt even in mijn arm om me sterkte te wensen.

Grazie.”

Ik meen het.

Nergens heb je zoveel behoefte aan iets van menselijkheid als ziek en onzeker in een ziekenhuis.

Na zes uur in die gang liggen, moet ik plassen en stap mijn bedje uit. Ik passeer een heel oude dame met weinig tanden in de mond. Ze ziet er bleek en breekbaar uit. Ze ligt in zichzelf te rebbelen. Als ze mij ziet, wil ze ook met me praten en weer zeg ik: “Non parlo italiano.” Maar ook haar interesseert dat niks. Ze vertelt een verhaal waar ik dit keer echt niets van versta.

Wijs geworden van mijn vorige ontmoeting pak ik de vrouw even bij haar hand. Ze grijpt hem onmiddellijk. En ze zwijgt. Met grote ogen kijkt ze me aan. Ik kijk naar haar handen. Ruw, grof, stevig, vuile nagels. Ze wil me niet loslaten. Ook dit is gebarentaal. Ik probeer m’n hand los te rukken, want ik moet ook plassen. “Bagno,” zeg ik en verlos mijn hand. Ze zegt iets, ik weet niet wat, maar het is een zin die pijn doet.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden