Femke van der LaanBeeld Agata Nowicka

‘Ik krijg het al benauwd als ik ernaar kijk’

PlusFemke van der Laan

We hebben onze kinnen op de brede rand van het balkon gelegd, de oudste en ik. Zo kijken we naar beneden. Naar wat er gebeurt in de straat. Naar wat er allemaal voorbijkomt. Aan mensen. Net fietste er een vrouw langs met een mondkapje op. Ik hoorde de oudste even dieper ademen. Zelf nam ik ook wat extra lucht.

“Ik krijg het al benauwd als ik ernaar kijk.”

Het gezicht van de oudste ging op en neer terwijl ze praatte, haar kin bleef op de rand liggen.

“Ik ook.”

“Wie het volgende mondkapje ziet?”

Ik probeerde te knikken zonder mijn kin van de rand te halen. Dat ging niet. “Ja.”

We keken verder. Naar beneden. Naar de vrouw die langsliep met haar hondje, naar de vader met het kind achterop. Naar de man die met een emmer en zichzelf een parkeerplaats bezet hield. Hij staat er nog steeds. Elke auto die langskomt, wuift hij voorbij. Doorrijden alsjeblieft.

“Wat doet die man?” Het gezicht naast me gaat weer omhoog en omlaag. Ik til mijn hoofd op.

“Ik denk dat hij op iemand wacht. Een parkeerplaats vrijhoudt.”

De auto’s die voorbijrijden, remmen niet eens. Er zijn meer dan genoeg parkeerplaatsen in de straat. De man staat er voor niets.

Er zijn al twee maanden meer dan genoeg parkeerplaatsen. Terwijl er juist meer mensen thuis zijn. In de huizen tegenover ons, waar het normaal donker is, brandt nu elke avond licht. Daaronder, beneden, langs de stoep, is er plotseling ruimte tussen de auto’s.

Ik heb lang nagedacht hoe dat kon.

Er stopt een wit autootje naast de parkeerplaats. De man pakt zijn emmer en doet een stap opzij, de stoep op. Het witte autootje draait de lege plek in. Er stapt een vrouw uit. Samen met de man loopt ze weg, naar een huis iets verderop. Hun ruggen zien er tevreden uit.

De oudste en ik kijken weer verder, van links naar rechts en terug, onze kinnen als scharnierpunt.

“Ik zie geen mondkapjes meer.”

“Nee.”

Dan komt de man weer teruglopen. Zonder emmer. Hij stapt in het witte autootje en rijdt weg. Acht ­parkeerplaatsen verder zet hij hem weer neer.

“Hè?” Er klinkt verbazing boven de kin naast me.

“Mensen parkeren graag voor hun eigen huis.”

“Waarom?”

Ik weet niet wat het is. Gemak misschien. Of dat wat van jou is dichtbij willen hebben. Even vraag ik me af of de mensen bij wie nu ’s avonds opeens het licht brandt, geen auto hebben. Als ik mijn schouders ophaal, stoten ze tegen de rand van het balkon.

“Kijk, een mondkapje.”

We nemen allebei een grote hap lucht.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden