Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Ik hoorde haar roepen: ‘Hij kneep eerst in m’n billen en nu in mijn borst!’

PlusTheodor Holman

Toen ik 17 was en af toe struikelde over mijn ­lange lokken, bezocht ik Parijs met mijn bloedmooie vriendin, met wie ik niet naar bed mocht. Wel liepen we hand in hand door de lichtstad onzeker te wezen.

Op een gegeven moment, bij het verlaten van de metro, liet ik haar voor mij lopen, waardoor zij in een mensenmenigte terechtkwam en opeens hoorde ik haar roepen: “Au, au!” Direct gevolgd door: “Hij kneep eerst in m’n billen en nu in mijn borst!” Ik keek wie het kon zijn. Ik had geen raciale vooroordelen, dus ik zocht een persoon met een ‘Lombroso-hoofd,’ – zo noemde mijn vader types met een overduidelijk crimineel uiterlijk.

Niemand kwam in aan­merking.

Toen wees mijn vriendin op een man met een voorkomen waarover nu door politici druk zou worden getwitterd.

Weg van de metro-uitgang, in een rustige straat, bespraken we wat er was gebeurd. Fraai was het allemaal niet.

“Maar het was een arme man, dat zag ik,” zei mijn vriendin.

“Waarom doet iemand zoiets?”

“Omdat hij eenzaam is… we moeten hem vergeven.”

Dat vond ik ook. Waarschijnlijk murmelde ik uit solidariteit iets over ‘slachtoffer van het kapitalisme’.

Die twee dagen dat we in Parijs waren, kwamen we vaker dergelijke slachtoffers van het kapitalisme tegen.

“Ze kunnen hun opwinding niet beheersen,” oordeelde mijn vriendin.

Ik knikte heftig, met enige trots ook, want hoewel ik barstte van ‘opwinding’ en wellustige gedachten in mijn eigen Lombrosohoofd had, bleef ik haar handje vasthouden als we langs de Seine filosofeerden. (“Mag ik nu weer even alleen lopen, Theodor? Je bent zo opdringerig!”)

Het vreemde is dat ‘wij’ dat vervelende geknijp totaal niet erg vonden. Het is waar: mijn vriendin werd niet verkracht, maar als zij even alleen door de straten van Parijs liep, werd zij nagesist, nagefloten, om haar telefoonnummer of naam gevraagd en nageschreeuwd. Het maakte mij soms jaloers, omdat ze af en toe zo’n gozer lachend terechtwees. (“Ja, als je ze zo toespreekt, blijven ze het doen,” zei ik).

Onze marxistisch-existen­tialistische blik maakte ver­gevingsgezind.

Slachtoffers van de klassenstrijd verdienden alle begrip. Meer dan anderen.

Van vele betrouwbare kanten hoor ik dat de seksuele intimidatie in onze stad de spuigaten uitloopt.

Zijn die daders ook slacht­offers van de klassenstrijd?

Mijn analyse is nu dat het dom schorem is. Mijn ver­gevingsgezindheid is op.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Lees ook:
• De tweet van Baudet en de reacties: schromelijk overdreven
Zij schelden alweer op Baudet en Wilders en nota bene Harry Mens
De rode sjaal als waarschuwing voor een pijnlijke ontmoeting

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden