Johan Fretz. Beeld Artur Krynicki
Johan Fretz.Beeld Artur Krynicki

Ik hoor het gegil weer, terwijl ik lees over Peter R. de Vries

PlusJohan Fretz

Terwijl ik iets schrijf over het oplopende aantal coronabesmettingen, begint mijn telefoon te piepen. ‘WOW! Lees jij het ook?!’

Peter R. de Vries is neergeschoten, in het hart van Amsterdam, bij daglicht. In het hoofd. Nee, ook al is hij van staal: dat belooft weinig goeds.

Meteen ben ik terug op die ene dag. We stonden nachtblind in de donkere kamer van de Filmacademie. Ik haalde met een strijktang mijn negatief uit de bak met water en chemicaliën en schudde het blad zachtjes uit. Tot we, dwars door de muren heen, opeens een ijzige gil hoorden. We liepen de doka uit. De Academie is gebouwd als een gevangenis, met kille relingen rondom alle lokalen. Het gegil was gejank geworden, met lange halen. Het steeg van beneden op en vulde de gangen. Er rende iemand op ons af, met ogen groot als toverballen: ‘Theo van Gogh is doodgeschoten op de Linnaeus!’

We haastten ons naar de bioscoopzaal, waar inmiddels de live-uitzending van het NOS Journaal op het doek werd geprojecteerd. School­genoten op rode stoelen met hun handen voor hun mond geslagen. Dat beeld van die enorme buik onder een wit laken, de contouren van een mes. Meer nog dan de moord op Pim Fortuyn, of de aanslagen op 11 september 2001, herinner ik me dit als een bepalend moment.

Misschien omdat ik van het werk van Theo van Gogh hield, omdat ik zijn recentste film, Interview (geschreven door collega Theodor Holman), kort daarvoor nog voor de derde keer in de bioscoop had gezien. Of omdat ik, achttien nog, pas net in Amsterdam woonde en met een kinderlijk romantische bril naar mijn nieuwe stad keek, en nu al moest concluderen dat er hier, op zes minuten fietsen afstand, een cineast kon worden vermoord.

Of misschien kwam het wel omdat dat ijzige gegil en gehuil uit de gangen afkomstig bleek te zijn van een dierbare klasgenote, die innig met van Gogh bevriend was geweest, en omdat ik op elk willekeurig moment van die dag en de dagen die erop volgden, dat geluid opnieuw kon oproepen. Ik kan het nu nog. En ik hoor het vanavond weer, terwijl ik lees over Peter R. de Vries.

Zo jong en naïef als toen ben ik al een poosje niet meer. Ik weet dat zulke dingen niet alleen in Napels gebeuren, maar ook hier. Vaak zijn het onbekende doden, op pagina 7 in de krant. Vandaag is het de minst bange man van Nederland die voor zijn leven vecht: een autonome, moedige, volkomen onafhankelijke geest. Helaas beschermt onbevreesdheid niet tegen kogels. Ik hoop zo dat hij het toch redt.

Wat anders is dan toen, bijna zeventien jaar geleden, is dat ik nu vader ben en meteen denk: hij is ook een vader, hij is ook een zoon. Daarom: over die coronabesmettingen hebben we het wel een andere keer. Of niet. Nu ga ik even kijken of de pinguïnnachtlamp in de kamer van mijn zoon nog brandt.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij schrijft op woensdag en zaterdag een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden