Femke van der Laan.Beeld Artur Krynicki

Ik hoopte op zuchtjes wind die er niet waren

PlusFemke Van der Laan

Er zwemt een vrouw in het water met een badmuts op. Een witte. Met ribbels. Ze zwemt heen en weer, naar me toe en van me af. Ik zit op de kade, op het stukje waar de tegels tot aan de rand lopen, met mijn voeten in het water. Ik denk dat de handdoek die achter me ligt, van haar is. Net als de slippers. Ze is de enige zwemmer.

De handdoek is ook wit.

Ze had me een goedemorgen gewenst, terwijl ze naar me toe zwom. Na de volgende heen en weer vroeg ze of ik ook zo slecht sliep. Ze had kort met twee vingers naar boven gewezen, alsof ze watertrappelde, om op de hemel te wijzen, waar de zon nog niet te zien was. Ik knikte.

Even daarvoor had ik mijn koffie gedronken in het trappenhuis. Het was de koelste plek die ik kon vinden. Eerst had ik voor mijn slaapkamerraam gezeten, op bed, aan het eind, met mijn voeten op de vensterbank. Ik hoopte op zuchtjes wind. ­Gisteren waren die er nog. Nu niet meer.

De bladeren in de binnentuin hingen stil. Slap en sloom. Wel was er een duif die in en uit het zolderraam van de buren schuin­achter vloog. Hij bracht takjes. Ik keek er een tijdje naar, terwijl ik dacht aan nestjes en eieren en wormen. Pas bij het zesde ­takje drong het tot me door dat het niet kon, dat vogels dat soort dingen alleen in de lente doen, hutten bouwen op zolder. Daarna was ik met mijn koffie in het trappenhuis gaan zitten.

Het was er donker geweest. De ramen zijn er klein en het licht was al snel weer uitgegaan. Ik had het zo gelaten. Toen mijn koffie op was, wilde ik naar buiten. Op zoek naar zuchtjes wind.

De vrouw zwemt weer naar me toe. Schoolslag. Op haar buik. Ook zonder ­badmuts zou haar haar droog blijven. Als ze bijna bij de kade is, vraag ik hoe haar nachten zijn. “Soms wil ik huilen,” zegt ze, “maar zelfs daar is het te warm voor.”

Ze tikt de kant aan. Ik bedenk of ik nog iets wil zeggen voor ze weer oversteekt. Ik zie mezelf liggen in het donker. Zonder te bewegen. Misschien had ik ook wel willen huilen. Met tranen die vlak voorbij mijn wimpers al verdampen.

Er komt niets. De vrouw heeft zich om­gedraaid en is al bijna halverwege. Dan stopt ze en komt weer terug. “Klaar.”

Ze slaat haar handdoek om haar schouders. Als ze even later wegloopt, tilt de wind hem even op. Naast me schuiven wat takjes over de tegels.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden