Artikel WitBeeld Oof Verschuren

Ik had me graag nog zorgen gemaakt om mijn moeder

PlusRoos Schlikker

Hé, hallo. Ben je daar alweer? Nee, natuurlijk stoor je niet. Maar zo ben je maanden verdwenen. En dan kom je. Elke nacht. Eerst als schijnsel ver weg. En nu opeens dichtbij. Heel fijn dichtbij. Je ruikt lekker. Hier, kruip maar tegen het kuiltje bij mijn sleutelbeen. Da’s inderdaad geen anderhalve meter afstand. Maar jij kan geen kwaad. Jij kon überhaupt nooit kwaad.

Zeg mam, je moet niet schrikken. Maar alles is veranderd. Er worden mensen eenzaam begraven. Ze sterven alleen in ziekenhuizen, slechts enkelingen lopen mee naar het graf. Het virus heeft geen piëteit, het kan zich klauwen aan iedereen. Ook aan mensen die rouwen.

Ik zie ze voor me. De stille begrafenissen. Handen die niet worden geschud, bungelend langs donkere lijven. Omhelzingen in de ledige lucht.

Zo anders dan toen bij jou. Met honderden stonden we rond je. Je had geen kist. Die zou te stijf, te hoekig voor je zijn geweest. In een mand voer je net als Mozes de stroming af. Een stroming gevormd door mensenhanden. Zo veel mensenhanden.

Er worden mensen eenzaam begraven. Het klopt niet. Maar in wezen is de dood sowieso eenzaam. “Ik heb altijd goed alleen kunnen zijn.” Ik hoor het je zeggen, grapjas. Dat kon je inderdaad. Anderen niet. Ze schurken tegen elkaar in rijen voor bouwmarkt, viskraam en patatboer. Daar begreep jij nooit iets van. ­Allemaal mensen op een kluitje. Jouw kluitje, dat waren papa en mijn gezin. Niemand kon daarbij.

Er worden mensen eenzaam begraven. Intussen zoekt iedereen naar feiten, naar controle van iets wat onbeheersbaar lijkt. Dat gevoel kennen wij, hè, jij en ik.

Is het daarom, mama, dat ik je steeds droom? De wereld is al twee jaar niet meer van jou. En jij bent van de wereld. Maar dat was je ook toen je nog leefde. Stel dat je 2020 had gehaald. Ik zou bang zijn. Voor jouw tere lijf, breekbaar als het geraamte van een muisje. Voor jouw tere hoofd.

Hé mamsie. Gaat het goed met jou? Is er überhaupt een duidelijk goed of slecht waar jij nu woont? Ik denk het niet. Maar ook bij ons vervloeit licht vaak in donker. Dat wist jij als bipolaire heel goed. Voelde je je fantastisch, dan voorvoelde ik dat het morgen mis zou zijn. Van levenslust naar doodswens. Je kon snel schakelen.

Wij hier kunnen dat niet goed. We zitten in een overvolle TGV die amper te stoppen blijkt. Het gepiep van remmend ijzer maakt ons doof. We zijn niet gemaakt voor stilstand. “Wees blij dat jouw moeder dit niet hoeft te doorstaan,” zei een vriend me laatst. Hij had misschien gelijk. Maar ik had me nog zo graag zorgen om jou gemaakt. Wat zeg je? “Doe dat nou maar niet.”

Oké. Maar op één voorwaarde. Dat je hier blijft zitten. Met je kopje tegen mijn sleutelbeen. Nee, ik hoef jou niet meer te beschermen. Maar blijf nog even. Voor mij. Blijf je nog heel even dicht bij mij?

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden