Beeld De Dikke Man

Ik had griep, mompelde De Dikke Man

PlusDe Dikke Man

Op vrijdag 14 februari is het 25 jaar geleden dat Ischa ­Meijer (1943-1995) overleed. Het Parool publiceert daarom deze week vijf afleveringen van Meijers column De Dikke Man, die van 1991 tot en met zijn sterfdag in Het Parool verscheen.

OP DE BRUG stond een tamelijk deftig ogend type, dat de daar traag passerende Dikke Man toesprak met: “Ik dacht dat u ziek was.”

De Dikke Man bleef nu, ietwat gekromd, staan. “Dat zag ik tenminste in de krant geannonceerd,” sprak Dat Deftige Type. “En wel op de plek waar uw dagelijkse stukje hoorde te staan.”

“Ik had griep,” mompelde De Dikke Man, toch ietwat verlegen. “Maar het gaat alweer wat beter. Dank u.”

“Jaja,” bromde Het Deftige Type, duidelijk in diepe gedachten verzonken. “En hoe heeft u dat geklaard? Ik bedoel – heeft u het geheel op eigen kracht gered? Of met behulp van die moderne medicijnen – kom, hoe heten ze nou ook alweer?”

“Antibiotica,” hoorde De Dikke Man zichzelf zeggen. “Ja – die heb ik voor­geschreven gekregen van de dokter.”

“Ja, daar word je erg slap van,” murmelde Het Deftige Type.

“Nou!” riep De Dikke Man. “Ik voel me, na vijf dagen dat spul geslikt te ­hebben, gewoonweg een vaatdoek.”

“Neenee – dat bedoel ik niet precies,” debiteerde Het Deftige Type. “Nou ja – het zal wel dat je behoorlijk beroerd kunt worden van zo’n geneesmiddel; maar ik zei het meer in het algemeen: dat de mensheid wel behoorlijk aan moed, lef of energie zal inboeten, hoe dan ook, doordat al die middeltjes zomaar dan wel zo uitermate gemakkelijk te bekomen zijn.”

En hij stokte een wijle.

“Hè?” hakkelde toen De Dikke Man. “Hoe bedoelt u eigenlijk?”

“O, ik ben helemaal niet tegen de vooruitgang, hoor,” exclameerde voorts Het Deftige Type. “Ik gebruik zelf ook een bepaald hartversterkend middeltje, op doktersvoorschrift – en als mijn vrouw weer een astma-aanval heeft, grijpt ze ook naar zo’n handige verstuif-opluchter, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar elke keer als ik op de een of andere wijze te maken heb met een medicus of een wonderproduct der farmaceutische industrie of ik zit weer bij de tandarts en word volmaakt pijnloos behandeld – dan denk ik aan mijn goede vader zaliger.”

En hij tuurde, bijkans automatisch naar boven.

En De Dikke Man keek, onwillekeurig, eventjes mee.

“Mijn vader was een zeer ouderwets man,” vertelde Het Deftige Type nu. “Misschien zelfs wel voor de tijd waarin hij leefde. Maar hij was wél een reuze echte vader.”

En hij zweeg een momentje.

“En Die Reuze Echte Vader Van Mij hield niet van ziektes, laat staan van de medische stand,” vervolgde Het Deftige Type, thans met een zeer beminnelijke glimlach. “En hem mankeerde toevalligerwijze zelden of nooit iets. Zodat hij zijn afkeer jegens den esculaap eigenlijk zonder enige moeite in stand kon houden.”

En hij grijnsde.

En ging verder: “Tot die avond. We zaten met het gezin aan tafel. En vader greep naar zijn borst. En snakte naar adem. En zakte opzij. En fluisterde met zijn laatste kracht: ‘Geen dokter, Greet.’ Want zo heette mijn moeder. Greet.”

En er viel een stilte.

“En?” vroeg De Dikke Man, volkomen meegesleept. “En? Wat deed uw ­moeder?”

“Ze heeft mijn vader toen in bed gelegd, met hulp van mijn oudste broer,” meldde Het Deftige Type. “En ze is bij hem blijven zitten tot hij weer bijkwam. En dat gebeurde pas de volgende ochtend tegen tienen. En toen had hij een heel scheefgetrokken gezicht. En pas een week later is hij eens naar een ­huisarts gewandeld. En daar kreeg hij te horen dat de zaak zich wel weer met wat rust zou herstellen. En zo is het ook inderdaad gegaan.”

Het Deftige Type glimlachte zeer trots.

“Ik heb dat altijd zó fantástisch van hem gevonden, hè!” klaroende hij. “En ik moet daar altoos aan denken wanneer ik mij geconfronteerd zie met een geval van hedendaagse geneeskunde. Ook als het mijzelf betreft, hoor.”

“Jaja,” gromde De Dikke Man. “Daar kan ik me wel iets bij voorstellen.”

En hij vervolgde, toch enigszins schuldbewust, zijn trage tocht naar huis.

Weer aan de arbeid!

Deze column stond op 14 februari 1995 in Het Parool, de dag dat Ischa Meijer overleed.

De Dikke Man zweeg maar weer eens

TIJDENS ZIJN namiddagwandelingetje langs de herfstige gracht stuitte De Dikke Man op een vroegere buurman, die er nog net zo tobberig uitzag als weleer.

“Alles wel?” joviaalde De Dikke Man. “Mijn vrouw is afgelopen zomer overleden,” meldde De Tobberige Buurman. “Och,” schrok De Dikke Man. “Na meer dan dertig jaar huwelijk,” sprak De Tobberige Buurman.

De Dikke Man zweeg maar weer eens. “En nu zit ik daar maar in dat lege huis,” somberde De Tobberige Buurman. “En ik vind er eigenlijk niks meer aan – aan het hele leven.”

“Kookt u wel voor uzelf?” informeerde De Dikke Man. “Nee hoor,” riep De Tobberige Buurman, bijna verontwaardigd, uit. “Daar begin ik op mijn leeftijd niet meer aan. Ik heb nog geprobeerd een spiegelei te bakken – maar dat is helemaal niks voor mij.”

“Dus u eet elke dag in een restaurantje,” begreep De Dikke Man. “Welnee,” zei De Tobberige Buurman. “Ik eet elke avond in de kantine van het ziekenhuis, waar mijn echtgenote gestorven is. Voor zes gulden heb je daar een prima maaltijd; vlees, aardappelen, groenten – de hele mikmak, voor maar zes guldentjes. En het is daar best gezellig, zo samen met de artsen, het verplegend personeel en al die bezoekers.”

“Maar vraagt daar dan nooit iemand aan u wat u daar elke avond komt doen?” informeerde De Dikke Man, meegesleept. “Waarom?” knalde De Tobberige Buurman. “Niemand weet daar toch nog dat mijn vrouw is overleden.”

Nu keek hij eventjes zeer droef weg. “Ik kan het je aanraden, hoor,” mompelde hij voorts. “Het eten is er prima.”

Deze column stond eerder op 14 september 1993 in Het Parool.

De Dikke Man werd aangeklampt door een lief blond meisje

NABIJ de rosse buurt werd De Dikke Man aangeklampt door een lief, blond meisje. “Wilt u een bekertje warme chocolademelk?” vroeg Het Lieve Blonde Meisje. De Dikke Man keek verwilderd om zich heen, en zag een zeer improvisorisch kraampje, waarachter een frisse jongeman stond, die koen toezicht hield op een grote thermoskan alsmede een torentje plastic bekertjes. “Nee, dank je wel,” zei De Dikke Man.

“Wij zijn van de Vereniging tot Heil des Volks,” sprak Het Lieve Blonde Meisje; mét de desbetreffende hoofdletters. “Dat lijkt mij heel verstandig,” mompelde De Dikke Man. “Wij dragen Jezus uit,” verklaarde Het Lieve Blonde Meisje zich nader. “Juist, ja,” poneerde De Dikke Man. “Is Jezus ook uw beste vriend?” informeerde Het Lieve Blonde Meisje, op een strenge toon, die haar zeer misstond. “Nee,” verklaarde De Dikke Man, naar ­waarheid.

Het Lieve Blonde Meisje verzonk even in narrig gepeins, en debiteerde vervolgens inquisitoriaal: “Heeft u wél een bijbel in huis?” “Meerdere!” riep De Dikke Man. “En leeft u ook daarnaar?” wilde Het Lieve Blonde Meisje erg graag weten.

Een onzichtbare hand sleurde De Dikke Man terug in de tijd. En hij werd weer het jongetje van vijf, dat naast vader in sjoel De Vijf Boeken van Mozes uit het Hebreeuws vertaalde. “Hebreeuws is gemakkelijker dan Nederlands,” placht De Vader Van De Dikke Man te zeggen. “En Nederlands ken je al.” Zo eenvoudig was dat. Kennelijk.

De Dikke Man hoorde weer de aansuizende oorvijg, die, onverbiddelijk, volgde op een foute vertaling zijnerzijds – maar tegelijkertijd klonk ook de vertroostende stem van de beul, die hem inwijdde in de geheimen van het Oude Testament. “Adam was een slappeling,” zei Zijn Vader. “En Abraham dient beschouwd te worden als een ordinaire sjacheraar, die er in eerste instantie niet voor terugdeinsde om zijn zoontje te slachten. Mozes deugde eigenlijk ook niet. En Jozef.” “Hoe bedoel je, pappie?” vroeg Het Dikke Jongetje. “Enjozef?” herhaalde De Vader, dreigend. “Jozef was een lul, papa,” zei Het Dikke Jongetje. “Héél goed!” schreeuwde De Vader Van De Dikke Man. “Jozef was een hypocriet, een verrader van zijn broers, en een streber par excellence.” “Een lul, dus,” zei Het Dikke Jongetje. “Zo is het,” verzuchtte De Vader Van De Dikke Man, volkómen tevreden.

Vader onontcijferbaar Hebreeuws karakter dichtte De Dikke Man. En, ondanks zichzelf, verlangde hij een moment amechtig naar die ochtenden in sjoel.

“En lééft u ook daarnaar?” hoorde hij Het Lieve Blonde Meisje ongeduldig herhalen. “Ja,” zei hij, na enige aarzeling. “Ja, ik leef daarnaar.”

Deze column stond eerder op 30 september 1991 in Het Parool.

De Dikke Man stuitte op Het Lange Echtpaartje

Tijdens zijn namiddagwandelingetje door de binnenstad van Amsterdam stuitte De Dikke Man op Het Lange Echtpaartje. En nadat er gezellig was gezoend, vroeg De Dikke Man: “Hoe lang zijn jullie nou eigenlijk bij elkaar?” “Dat vraag je altijd als je ons tegenkomt,” zei De Lange Echtgenote. “Drieën-dertig jaar,” zei De Lange Echtgenoot.

“Hoe spelen jullie het toch voor elkaar!” exclameerde De Dikke Man. “Wij willen elkaar niet veranderen,” sprak De Lange ­Echtgenoot. “Misschien is dat ’t wel.” ­“Verdomd!” riep De Lange Echtgenote. “Inderdaad – ik denk dat dat het geheim is.”

“Hoewel,” mompelde De Lange Echtgenoot, “Toen ik je ontmoette, deed je altijd de afgebrande lucifers terug in het doosje – en dat kon ik absoluut niet pikken. Ik heb toen ook gezegd: ‘Als je met me verder wilt, zul je die slechte gewoonte moeten afzweren.’ Dat heb ik toch heus gezegd. Herinner je je dat niet?” “O ja!” kreet De Lange Echtgenote. “Dat ­herinner ik me nog zeer goed. En ik weet ook nog dat ik destijds dacht: ach, laat ik hem daarin maar gewoon zijn zin geven.”

“En nu zijn we dus alweer drieëndertig jaar bij elkaar,” memoreerde De Lange Echtgenoot, op zachte toon.

“Nou – tot ziens dan maar weer,” knalde De Dikke Man. En er werd andermaal een gezellig rondje gekust. En vervolgens liep Het Lange Echtpaartje de ene kant op. En De Dikke Man de andere. En alle drie voelden ze zich behoorlijk gelukkig.

Deze column stond eerder op 11 oktober 1994 in Het Parool.

De Dikke Man keek met hem mee

De dikke man zat ’s middags in het koffiehuis naar de gestaag vallende regen te staren.

“Kijk – daar heb je Japie,” zei toen De Baas Van Het Koffiehuis. De Dikke Man keek met hem mee, en zag een gebogen figuur de brug afstrompelen op twee zeer onwillige krukken.

“Hij heeft vorige maand een beroerte gehad – Japie,” verduidelijkte De Baas Van Het Koffiehuis. “Twintig, dertig jaar in de bouw gewerkt, en nooit wat gehad. En nu dit. Ach, ach, ach – wat is ie eraan toe, hè.”

Nu betrad de aldus beschrevene het etablissement.

“Oewatoewitittt,” sprak hij.

“Jaja – ’t is rotweer,” beaamde De Baas Van Het Koffiehuis.

Waarna de invalide man zich tegenover De Dikke Man zette.

“Kohofemeveeme,” riep hij.

“Ja, het komt er zó aan – je koffie met melk,” bromde De Baas Van Het Koffiehuis.

De invalide man keek thans De Dikke Man machteloos aan; er stonden grote, verbaasde en buitengewoon heldere, grijze ogen in zijn donkerblauw aangelopen gezicht; de lippen trilden heftig.

En De Dikke Man wendde het gelaat af.

“Loehoegoebomba,” stamelde de invalide man.

En De Dikke Man knikte maar van ja. En zag eigenlijk nauwelijks hoe het weer opeens omsloeg. De regen hield plotsklaps op. En er brak iets van een zon door, die het oer-Amsterdamse tafereel daarbuiten – de brug, de gracht, de bijkans voelbare nabijheid der Westertoren – in een feestelijke glans zette.

“Mooi, hè,” zei de invalide man, volstrekt helder.

De Dikke Man keek verbaasd om. Het gezicht van de invalide man was eventjes opgebloeid, de fysionomie niet meer verkrampt, de gelaatskleur leek normaal – en de mond, die zo even weer een tel normaal dienst gedaan had, glimlachte gelukzalig. En meteen daarop was het weer voorbij.

De Baas Van Het Koffiehuis trad nader met de consumptie. “Metveesui,” stamelde de invalide man. “Ja – ik heb er wat extra klontjes bij gedaan,” meldde De Baas Van Het Koffiehuis.

En De Dikke Man staarde wederom naar buiten. Waar de eerste druppels wederom vielen.

Deze column stond eerder op 16 september 1994 in Het Parool

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden