Femke van der LaanBeeld Artur Krynicki

Ik had gezegd dat ik de vissen drie weken zou voeren

PlusFemke van der Laan

Ik sta bij de onderbuurvrouw in de woonkamer en kijk naar haar kast. Op de een-na-onderste plank staat een vissenkom.

Ik probeer een vakantie te ­verzinnen.

Ik ben net de trap afgelopen. Toen ik langs de eerste kwam, deed de onderbuurjongen zijn voordeur open. Als we elkaar tegen­komen rond dit uur, zeg hij meestal tegen me dat hij naar school gaat. Leuk, zeg ik dan terug. Ik heb een tijdje andere dingen geantwoord, uitgebreider of iets met een vraag, wie zijn vriendjes zijn, hoe zijn juf heet, maar hij zit niet te wachten op een gesprek. Hij wil het alleen maar gezegd hebben.

Vandaag zei hij niets.

Achter hem was zijn moeder verschenen. Ze had me een goedemorgen gewenst. Daarna vertelde ze me dat ze op vakantie gingen. Vrijdag. “Willen jullie onze vissen eten geven?”

Ik had geknikt, gezegd dat het goed was. Het volgende moment stond ik in hun ­huiskamer. Om even te kijken. Naar het voer. Toen ze het potje aanwees, zei ze dat ze drie weken weg zouden zijn.

Nu probeer ik een vakantie te verzinnen. Waardoor het toch niet kan. De vissen eten geven. Drie weken. Maar ik kan geen vakantie verzinnen. Al maanden niet.

De onderbuurjongen gaat op zijn knieën voor de kom zitten. Met zijn vinger volgt hij een vis. Achter hem doet de onderbuurvrouw een stap mijn kant op. “Als er eentje…eh…” zegt ze zacht. Met haar hand beweegt ze langs haar keel. “Dan moet je een nieuwe kopen.”

Ik kijk weer naar de kom. Het is lastig om de vissen te zien tussen de waterplantjes.

“Hoeveel vissen heb je eigenlijk?” vraag ik naar beneden.

“Vijf.”

“Veel, zeg.”

“Ja.”

Ik vraag me af of ik ze uit elkaar zou ­kunnen houden. Ze zijn vooral oranje.

In mijn hoofd sta ik al in de dierenwinkel, drie straten verderop, met een goudvis in keukenpapier. “Zo eentje graag.”

Eergisteren vertelde iemand me over de lieveheersbeestjesfabriek waar ze naast woont. Dat de beestjes daarvandaan in ­doosjes over de hele wereld worden verstuurd, als eitjes, die precies uitkomen als ze in de kassen of op de akkers aankomen, zodat ze de bladluizen kunnen opeten.

Soms stinkt het naast de lieveheersbeestjesfabriek. Dan heeft iemand zich verrekend.

Misschien moet ik geen keukenpapier gebruiken. Dan blijven er vast pluisjes aan de huid van de goudvis plakken en krijg ik een te lichte vis mee. Een plastic bakje is beter.

Ik probeer nog steeds een vakantie te ­verzinnen.

“Komt goed,” knik ik tegen de onder­buurvrouw. De onderbuurjongen staat op. “Ik ga naar school.”

“Leuk,” zeg ik terug.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden