Natascha van Weezel Beeld Agata Nowicka

Ik ben eraan gewend te worden uitgescholden

Plus Natascha van Weezel

‘Categorie linkse, destructieve Joden produceren destructieve, linkse Joden. Mag ik dit zeggen? Ja ik wel.’

Het was 1 januari. Mijn telefoon zei ‘ping’ en dit bericht vulde mijn beeldscherm: een reactie van iemand op Twitter, als commentaar op mijn vorige column waarin ik schreef hoe moeilijk het was om afscheid te nemen van mijn vader. Laat ik zeggen dat ik dit op z’n zachtst gezegd niet echt leuk vond. Gelukkig nieuwjaar.

Meestal kijk ik niet meer op van verzuurde opmerkingen op sociale media. Wanneer je journalist bent, je mening uit of überhaupt íets op je tijdlijn post, kun je nou eenmaal verwachten dat je zeikerds over je heen krijgt die het met je oneens zijn en klaarblijkelijk de behoefte voelen om dat in – vaak niet mis te verstane bewoordingen – met het wereldwijde web te delen. Een paar jaar geleden lag ik nog wakker van elk negatief bericht dat binnenkwam. Tegenwoordig haal ik vaker mijn schouders op en denk ik: jammer voor jou dat je zo negatief in het leven staat.

Maar dit bericht voelde anders. Het ging niet om een politiek meningsverschil of over een stukje dat niet in de smaak viel. Het ging over mijn dode vader. In eerste instantie werd ik pislink. Vervolgens bedacht ik dat mijn algemene gevoel van apathie jegens haatreacties op Twitter helemaal niet zo’n positieve ontwikkeling is.

Want is het normaal dat ik eraan gewend ben om regelmatig te worden uitgescholden voor ‘naïeve kip’, ‘dom grachtengordelgeitje’ of ‘lelijke aap’? (wat is dat toch met scheldwoorden en dieren?) Is het normaal dat ik lach om scheldwoorden als ‘vuile zionist’, ‘landverrader’ of ‘moslimfucker?’ En is het normaal dat ik meteen overga tot de orde van de dag nadat ik heb gelezen dat ‘ze dat meisje onvruchtbaar zouden moeten maken, zodat haar gedachtegoed voor eeuwig wordt geëlimineerd’, ‘het jammer is dat Hitler niet wat voortvarender was tijdens de Tweede Wereldoorlog’ of ‘ik die dikke neus alsnog vergas zodra ik haar in handen krijg?’ Nee, dat is het niet!

Het is een schrijnend idee dat ik er nog relatief makkelijk vanaf kom: ik ben tenslotte ‘alleen’ Jood en vrouw. Vrienden en collega’s met een migratieachtergrond of een andere huidskleur krijgen het doorgaans een stuk zwaarder te verduren.

Je mag (bijna) alles zeggen in Nederland. En begrijp me niet verkeerd: ik sta pal achter de vrijheid van meningsuiting, die ons in staat stelt werkelijk deel te nemen aan een open, democratisch debat. Toch denk ik steeds vaker: je mag dan bijna alles zeggen, maar mijn God, vinden mensen nou écht dat ze dat ook moeten doen?

Natascha van Weezel (33) is journalist. Elke dinsdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden