Plus Column

Iedereen moet iets doen of gaat ergens heen

James Worthy Beeld Agata Nowicka

Er staan twee jongens op de Magere Brug. Ze roken perfect gerolde jointjes terwijl ze lukraak in de verte staren. Achter hen fietsen de mensen naar hun werk en toeristen lopen in kluitjes naar het volgende museum. Ze volgen de man met de vlag. Iedereen moet iets doen of gaat ergens heen, maar de jongens staan precies waar ze willen staan. Hun vlag staat op de grens tussen vervelen en vermaken.

De jongens hebben voorjaarsvakantie. Ze hoeven dus niet naar school, en toch zijn ze aan het spijbelen. Ze onttrekken zich aan de verplichtingen, blijven weg bij het onophoudelijke gekrioel. Ze roken wiet en kijken naar het water. En ze praten niet. Nee, dit is geen stripboek. De wolkjes die ze uitblazen, blijven leeg.

De ene jongen draagt een zandkleurige camouflagejas, een turquoise trainingsbroek en leren laarzen die veertig jaar geleden alleen maar door skinheads en hooligans werden gedragen. Voor de hooligan aan de overkant van het kanaal was de laars een wapen. De ­politie greep in door niet de schoenen maar de veters te verbieden.

De andere jongen draagt precies hetzelfde. Dit is hun uniform. Alleen zijn haar zit anders en er hangt een nektasje om zijn nek. In zijn tasje zit alles wat ze nodig hebben. Een bankpas, een bakje chocoladerozijnen, twee condooms en een draagbaar luidsprekertje.

Toen ik jong was, zat er ook altijd een condoom in mijn portemonnee. In die tijd schaamde ik me voor de aanwezigheid van rubber in mijn achterzak, maar nu denk ik dat ik dat gevoel soms mis. Het condoom stond symbool voor de onvoorspelbaarheid van het leven.

Misschien gebeurt het vandaag. Net als in de films. Misschien kom ik iemand tegen in de bibliotheek. Daar was ik op aan het wachten. Lust op het eerste gezicht bij de S van James Salter. De portemonnee ben ik ooit kwijtgeraakt, het condoom nooit.

Ik kijk heel goed naar de jongens, want als ik niet goed naar ze kijk, zou ik misschien nietsnutten kunnen zien en dat wil ik niet zien. Dus zie ik twee jongens die nergens op aan het wachten zijn. Niet op een begin, niet op een eind, en niet op het leven. Ze kijken naar het water en het water is genoeg. Het donkergrijze water van de Amstel. Een rondvaartboot tuft voorbij. Alle ramen van de boot zijn beslagen. Een meerkoet valt een eend aan. De toeristen kunnen niets van het gevecht zien.

Ik kijk naar de jongens en begrijp ze. Als je niets met je leven doet, heb je later ook niets wat je kunt vergeten. Dat wat je niet hebt meegemaakt, kan dan niet van je worden afgepakt door één of andere laffe degeneratieve aandoening.

De jongens zijn perfect. Ze zijn oud genoeg om koffie te drinken, maar te jong voor een kantoorbaan.

Dan trekt de jongen met het nektasje uit het niets zijn broek naar beneden. De andere jongen doet precies hetzelfde. De mensen op de rondvaartboot zien de blote billen niet. Ze zijn voor Van Gogh naar Amsterdam gekomen, maar missen De sterrennacht.

De jongens lopen in de richting van de Nieuwe Kerkstraat. Die met het nektasje verslikt zich bijna in zijn eigen lach. Na vijftig meter te hebben gelopen, nemen ze plaats op de motorkap van een geparkeerde auto.

Het alarm gaat af, maar ze blijven zitten. Het is alsof de jongens niet bestaan. En niemand komt woedend naar buiten gerend. Ik kijk naar het tweetal. Dit is hoe onaantastbaarheid eruitziet. De jongens zijn voortreffelijk van het leven aan het spijbelen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden