Maarten Moll. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Iedereen heeft stiekem gerookt

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Achter de Albert Heijn zaten twee meisjes op een muurtje.

Ze zaten half afgewend van het straatje waar mensen voorbijkwamen.

Ze waren een jaar of dertien, veertien.

Ze rookten.

Snelle trekjes. Dunne wolkjes.

De een hield een aansteker vast, de ander een pakje sigaretten.

Ik liep voorbij met een volle boodschappentas.

Ze keken even om, maar niet verschrikt. Ze gooiden de spullen ook niet achter het muurtje.

“Hoeveel nog?” zei de een.

“Vind je het lekker?” vroeg de ander.

Het antwoord hoorde ik niet meer, ik was al bij het plein, waar een oude man op de fiets me rakelings passeerde en riep dat ik verdomme afstand moest houden. Hij slingerde verder en hief woedend zijn vuist naar een witte Honda die een parkeervak op wilde rijden. Ik zag de man achter het stuur onbedaarlijk lachen.

Die rokende meisjes. Om de een of andere reden vond ik het een ontroerend beeld. Een beeld van alledag. Twee jonge ontdekkingsreizigers. Doen wat gedaan moet worden. Een eerste empirisch onderzoek.

“Waarom zaten ze daar zo open en bloot?” vroeg ik later aan M. “Waarom zaten ze niet in de bosjes? Waren ze niet bang om ontdekt te worden? Dat hun moeder opeens naast ze stond?”

M. keek me verrast aan.

“Heb jij nooit stiekem gerookt?”

“Nee,” zei ik.

“Kom op!”

“Echt niet.”

“Iedereen heeft stiekem gerookt.”

“Ik heb ook nooit brommer gereden, en ik ben de ­enige die nooit Herman Brood heeft zien optreden.”

“Wat?”

“Ga door.”

“Deze meisjes wonen niet dicht bij het winkel­centrum. Ze zijn hier naartoe gekomen zodat ze niet ­herkend worden.”

Natuurlijk.

“Ik heb weleens sigaretjes gerookt vlak bij de begraafplaats,” zei M. “Achter een wijkje waar we nooit kwamen, en dan een slootje over.”

“Spannend.”

“Kots- en kotsmisselijk geworden.”

Ik vertelde over mijn eerste biertje. Vijftien was ik. In de voorraadkast van mijn opa en oma tussen de weckpotten met morellen en sperziebonen, de plastic flessen houdbare melk en de blikken kapucijners dronk ik stiekem een flesje Brouwersbier. Veel te snel natuurlijk, bang om ontdekt te worden.

Ik vond het niet heel vies. Wel stootte ik hard mijn hoofd tegen de deurpost toen ik uitgedronken was. Het bloed op mijn voorhoofd bij het binnenkomen van de huiskamer zorgde voor enige paniek bij mijn moeder. Ook had ik de flessenopener nog in mijn hand.

Die twee meisjes. Het zag er heel serieus uit, zoals ze vol overgave aan het roken waren. Ze zaten daar bijna onbeweeglijk op dat muurtje, maar ze waren al in ­beweging.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden