Roos Schlikker. Beeld Lin Woldendorp
Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Iedereen die verliest verdient een dekentje

PlusRoos Schlikker

Het was een dekentje met bruine beren. Spuuglelijk, eerlijk gezegd. Mijn hele zwangerschap had ik geageerd tegen infantilisering van zwangeren. Waarom moest je opeens met een berentronie op je pens lopen omdat daar een kind in zat? Nu stonden er talloze olijke teddysnoeten geprint op dat suffe kleedje. Maar dat neerleggen was het mooiste wat iemand die dag voor me deed.

We hadden behoorlijk moeten zoeken. Het mortuarium naast het ziekenhuis leek weggestopt, zoals mensen de dood standaard verbergen. Uiteindelijk betraden we een kamer zonder ramen. In het schemerduister ontwaarde ik het vierkant. Een kartonnen doosje. Daarin bevond zich mijn baby.

Het beton van de muren. De weggemoffelde ruimte onder de zijingang van dat grote gebouw. Alles functioneel. Alles koud. Daar moet iemand geweest zijn die dacht: dit kan zo niet. Hier ligt een kind. Diegene legde een berendekentje onder het karton. En voegde zo menselijkheid toe. Voor het eerst sinds de bevalling voelde ik me gezien, voelde ik mijn dochter gezien.

Het is lang geleden, maar het dekentje zweeft steeds als een vliegend tapijt door mijn hoofd.

Dat komt door Lennart. Lennart was een jongetje met volle wangen en mooie krullen. Maar de dag na zijn tweede verjaardag ontwaakte hij niet. Nooit werd duidelijk waaraan hij gestorven was.

Bij aankomst in het ziekenhuis zag zijn moeder Wendy Marsman de grote brancard al staan. Een zee van lakens, een kooi van koud staal. Moest zij hier haar zoontje achterlaten? Zijn krullen op een volwassen kussen, zijn lijfje verdrinkend in hospitaaltextiel? Hij sliep thuis nog niet eens in een groot bed. Ze vroeg zich af of het anders kon. Maar kinderbrancards bestonden niet.

Wat geeft het, kun je je afvragen. Als je kind dood is, doet niets er toch meer toe? Ja en nee. Want tegelijkertijd betekent een gepast gebaar alles. Een gebaar dat een ouder en een kindje past.

Ik spreek Wendy aan de telefoon. Een goedlachs type. Ze is geen beroepsslachtoffer, benadrukt ze. Ze wil er iets van maken, na Lennarts dood. Ze wil iets maken ván Lennarts dood. Dus schreef ze een stukje over die gruwelijk grote brancard waarop haar kind was neergelegd. Floortje Agema, mortuariummedewerker van het Radboudumc, las het en begreep de gevoeligheid. Ze overlegde, ze overtuigde. Inmiddels heeft haar ziekenhuis als eerste een kinderkoelingbrancard. Een heuse Lennart-mobiel.

Laat alsjeblieft alle ziekenhuizen volgen. Want juist zorgvuldigheid kan zo troosten, denkt ook Wendy. Wat als Lennart al zo’n passend bedje had gehad? “Dan wist ik dat iemand aan mij had gedacht. Dat iemand me had gesteund. Dan had ik me niet zo’n nummer gevoeld. Dan was mijn kind niet tot nummer gemaakt. De zoveelste in het mortuarium.”

Deze week vroeg ik mijn man of hij zich het berendekentje herinnerde. Zijn keel schroefde onmiddellijk dicht. “Dat was mooi,” klonk het zacht. Iedereen die verliest verdient een dekentje. Of een brancard op maat. Op menselijke maat. Want het kleine zet soms alles in beweging. Kleintjes zoals Lennart. En het kleine gebaar dat de allergrootste troost kan zijn.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden