Opinie

‘Huisarts heeft hulptroepen nodig bij strijd tegen overgewicht’

Wie gaat voorop in de strijd tegen overgewicht? Huisarts Christy Niemeijer stelt dat haar collega’s niet als enige verantwoordelijk kunnen zijn voor een gezonde leefstijl van patiënten. 

Beeld Josh Banks/Getty Images/iStockphoto

Toen ik in 1989 bewegingswetenschappen aan de VUmc ging studeren wist ik het zeker: voorkómen is beter dan genezen. De patatgeneratie floreerde en sport en lichamelijke ­activiteit zouden de oplossing zijn om veel toekomstig leed te voorkómen. Daar zat de toekomst!

Echter na mijn studie Bewegingswetenschappen was er maatschappelijk nog nauwelijks aandacht voor preventie en het zou meer dan dertig jaar duren voordat deze preventiegedachte ingebed zou worden in de politiek en het zorgstelsel (het preventieconsult en de ‘GLI’, gecombineerde leefstijlinterventie) in de basiszorg. Ik besloot na de studie bewegingswetenschappen geneeskunde te gaan studeren en als huisarts verder te gaan, ook om mijn bijdrage te leveren aan preventie. Een keuze waar ik overigens nooit spijt van heb gehad, want er is geen mooier vak!

Natuurlijk ben ik een huisarts mét aandacht voor voldoende lichaamsbeweging. En ik zou me met de gecombineerde leefstijlinterventie uitstekend kunnen uitleven: iedereen een stappenteller mee, met patiënten wandelen, fitnessen en noem maar op.

Maar, hoe diep het belang van een gezonde leefstijl en voldoende lichaamsbeweging ook in mij is geworteld, ik weiger om met mijn patiënten te gaan wandelen. Als ik zelf overgewicht zou hebben, zou ik ook niet (met mijn huisarts) gaan wandelen.

‘Het zit in de familie’

Het gaat ons als huisartsen niet lukken de strijd tegen overgewicht en de gevolgen ervan te winnen. We zwemmen tegen de stroom in en kunnen de ongezonde leefstijl niet aan. Wij hebben meer hulptroepen nodig, waarbij de rol van de overheid cruciaal is.

In de zaterdageditie van Het Parool van 13 juli werd de centrale vraag gesteld: ‘Hoe ver mag de overheid gaan in de strijd tegen overgewicht bij jongeren?’

Dit was naar aanleiding van een grootschalig preventieprogramma in Amsterdam onder de schoolgaande jeugd. Ondanks de gemeentelijke sturing en alle energie die hierin is gaan zitten, is er nauwelijks succes. Een groot deel van de Amsterdamse jeugd blijft veel te zwaar. Scholen die een gezonde leefstijl bevorderen, maar ingebed liggen tussen de frietzaken; op iedere hoek van de straat kun je suikerhoudende dranken kopen. Ongezond eten is ook nog eens goedkoper dan gezond eten! Veel ­ouders lukt het niet om hun kinderen een gezonde leefstijl bij te brengen. En vooral omdat zij vaak hun ongezonde leefstijl zelf niet veranderen (lees de Amsterdamse Gezondheidsmonitor). Voor hen is er de GLI. Maar hoe krijgen we onze patiënten naar de GLI?

‘Het zit in de familie,’ horen we als huisarts aan de lopende band. Wie legt zijn patiënt uit dat ongezond gedrag ook aangeleerd is en dus ‘in de familie zit?’ Ik.

De vraag die rijst is: behoort de gecombineerde leefstijlinterventie wel tot het basispakket en daarmee op het bordje van de huisarts? Terug naar onze kernwaarden: de huisarts is een medisch generalist. Om een antwoord op de vraag te geven moeten we kijken of de GLI een medisch of een maatschappelijk probleem is.

Ik ben van mening dat de GLI niet medisch is, maar de gevolgen van ‘geen GLI’ zijn wel medisch. We moeten uiteraard het probleem en de gevolgen van overgewicht wel aanpakken, maar de vraag is hoe en wie hierbij de belangrijkste rol heeft. Het lijkt mij dat de patiënt die heeft, maar we hadden al geconcludeerd dat dit een lastige is.

Voortdurend in de verleiding

We hebben hulptroepen nodig: een multidisciplinair team. Overheid, scholen, psychologen, docenten lichamelijke opvoeding, paramedici, werkgevers en zo nodig de huisarts spelen een rol om de GLI tot een succes te maken. Wij moeten als (regionaal) multidisciplinair team opboksen tegen de marketing en de bevordering van ongezond eten door (grote) bedrijven.

Want hoe vaak komen wij, evenals onze patiënten, voortdurend in de verleiding om allerlei lekkernijen aan te schaffen? Als je gaat tanken, word je al gevraagd of je er minimaal ook een gevulde koek wil bijkopen, ben je in de voetbalkantine dan sta je in de patatlucht, kom je in het zwembad dan liggen de zakken snoep, ijs en shakes uitgestald en in ieder kinderspeelparadijs is het niet anders dan suiker en vet dat de klok slaat.

In de supermarkten liggen minimaal twaalf soorten chips en bij ons in de wijk krijgen kinderen bij de groenteboer een snoepje, in plaats van een stukje fruit. Overal rollen de suikerhoudende producten je boodschappentas in. Als klap op de vuurpijl zag ik dat we in de wachtkamer van mijn huisartsenpost/ spoedeisende hup (SEH) ook een snoepautomaat hebben! Lang leve de suikers, ook bij de dokter!

Ondanks de beloftes vanuit de levensmiddelenindustrie zijn kinderen en hun ouders nog steeds het doelwit van uitgekiende reclamecampagnes voor ongezonde producten. Het is bewezen dat kinderen en volwassenen hier ongezonder van gaan eten.

Ik wil de GLI graag omarmen, maar het lukt alleen als de overheid inziet dat zelfregulering door de industrie onvoldoende werkt, en daadkrachtig ingrijpt. 

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden