Opinie

‘Hoe we willen omgaan met het koloniale verleden verdient zorgvuldige discussie’

Het structureel gewelddadige karakter van het Nederlandse koloniale verleden lijkt maar geen onderdeel te worden van ons zelfbeeld. We moeten het dader- én slachtofferschap laten meewegen, schrijven Anne van Mourik en Roel Frakking.

Een gevangene wordt uit een legertruck gehaald tijdens de politionele acties in Indonesië.  Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/NFP/Jan Stevens
Een gevangene wordt uit een legertruck gehaald tijdens de politionele acties in Indonesië.Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/NFP/Jan Stevens

Dat racisme en geweld ingebakken waren in het koloniale ­systeem en de dekolonisatieoorlog van 1945 tot 1950 zeer veel Indonesische levens heeft gekost, is geen nieuws. Toch lijkt deze kennis maar geen onderdeel te willen worden van het Nederlandse zelfbeeld.

Want kolonialisme was misschien niet zo eerlijk, maar er gebeurden toch ook goede dingen? En over die dekolonisatieoorlog tussen Nederland en Indonesië: onderzoek is natuurlijk heel goed, maar we moeten niet de veteranen als hoofddaders aanwijzen – die jongens werden toch ook maar gewoon gestuurd?

Wij pleiten voor een andere kijk op de omgang met ons koloniale verleden in Indonesië. Willen we blijven steken in een kader waarin het eigen slachtofferschap vooropstaat en dat daarmee niet alleen blind is voor andere perspectieven, maar ook systematische analyse van deze periode verhindert? Of willen we een breder herdenkingskader? Een waarin het Nederlands daderschap en de erkenning van kolonialisme als onderdrukking de norm is, maar waarin ook ruimte voor eigen lijden bestaat?

‘Eigen lijden eerst’?

De Bersiap is de chaotische periode tussen ­ruwweg augustus 1945 en het voorjaar van 1946, waarin deels hypernationalistische en deels ­opportunistische Indonesiërs duizenden ­(Indische) Nederlanders, Chinezen en ‘verdachte’ Indonesiërs vermoordden. Onlangs schreef Hans Moll, voorzitter van de Federatie Indische Nederlanders (FIN), een stuk in het NICC Magazine. Hij bepleit dat Indonesisch ­lijden niet het Indische slachtofferschap ­tijdens de Bersiap mag wegdrukken.

Een begrijpelijk argument? Ergens wel. Het valt niet te ontkennen dat trauma’s van groepen slachtoffers kunnen worden verdrongen door leed dat een andere groep is aangedaan. Maakt dit het argument voor het ‘eigen lijden eerst’ ook terecht? Nee. De geschiedschrijving is in een democratisch land als Nederland geen opportunistische invuloefening van slachtoffers versus daders, hoezeer dit ook de vaak pijnlijke omgang met het verleden zou vergemakkelijken.

Bovendien heeft de Federatie Indische Nederlanders het daar niet bij gelaten en heeft zij op 15 oktober de ‘werkdefinitie Bersiap-ontkenning’ gelanceerd. De bedoeling daarvan is ‘helderheid te verschaffen in een klimaat waarin Indonesische gruweldaden steeds vaker openlijk worden ontkend, gebagatelliseerd of zelfs vergoelijkt’. Het idee dat de Bersiap zou worden ontkend is echter onzin.

Gedeelde geschiedenis

We zien hier een duidelijk voorbeeld van een stropopredenering: de standpunten van de ander worden verdraaid of zelfs verzonnen, zodat deze eenvoudig te weerleggen zijn. De lancering van deze werkdefinitie is dan ook geen manier om recht te doen aan de herinnering, maar een politieke zet gestoeld op een terecht traumatisch verleden. Eigen slacht­offerschap wordt naar voren geduwd om pogingen tot het bezien van de bredere geschiedenis, hier de dekolonisatie van ‘Nederlands-Indië’, te frustreren, zodat het slachtofferschap behouden blijft.

Aandacht voor de Bersiap in de Nederlandse herinnerings- en onderzoekscultuur is evident. Dat staat buiten kijf. Maar andere perspectieven moeten we niet wegduwen. Nadenken over de voortdurende effecten van kolonialisme vereist immers dat andere perspectieven eveneens worden meegenomen. Dit betekent niet dat daarmee de Bersiap wordt ontkend. De ‘eigen lijden eerst’-visie botst met postkoloniaal ­denken. Hoe komen we uit deze verkrampte manier van omgaan met de herinneringscultuur van onze gedeelde koloniale geschiedenis?

Het zou ons sieren als we in deze postkoloniale wereld het lijden van meerdere herinneringsgroepen kunnen integreren in een breder ­herdenkingskader. In dit kader is het onderdrukkende en discriminerende van kolonialisme de norm, maar bestaat ruimte voor allerlei herinneringen. Dit betekent aandacht voor dader- én slachtofferschap.

Zorgvuldige discussie

Een moeilijke, maar geen onmogelijke opgave. Kijk maar naar de Duitsers en hun Vergangenheitsbewältigung. Het gaat ons niet om een vergelijking tussen de Tweede Wereldoorlog en het kolonialisme, maar wel over het proces van in het reine komen met het verleden. De Duitse verantwoordelijkheid voor de oorlog en de Holocaust staat hierin centraal – maar Duits slachtofferschap, zoals de herinneringen aan de geallieerde bombardementen, is ook onderdeel van de herinneringscultuur geworden.

Hoe we willen omgaan met het koloniale verleden verdient zorgvuldige discussie. Herinneringen aan eigen leed moeten gehoord blijven worden. Maar willen we de complexiteit van deze gewelddadige geschiedenis kunnen begrijpen en er recht aan doen, dan is het zaak andere ervaringen van slachtofferschap te laten wortelen in de Nederlandse collectieve herinnering.

Roel Frakking, postdoctoraal onderzoeker aan het KITLV, en Anne van Mourik, promovenda aan het Niod Instituut.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden