Opinie

'Hoe ik mijn angst verloor een schrijver aan te rijden'

Wat maakt blij of irriteert in Amsterdam? Een zomerserie over de (on)genoegens van de stad. Vandaag schrijft Patrick Meershoek over het afschudden van het provinciale juk.

Beeld Mike Ottink

Het was op zo'n heerlijke Amsterdamse zomeravond dat ik op de hoek van de Brouwersgracht, zoekend naar een vrije parkeerplaats, op het zebrapad Cees Nooteboom van zijn sokken reed.

De schrijver hield stil en trok een van zijn monumentale wenkbrauwen op. Ik stak mijn duim omhoog om hem te laten weten dat met mij alles in orde was, maar op dat gunstige nieuws verkoos Nooteboom niet te reageren. Hij schudde zijn hoofd en vervolgde zijn sombere weg.

Bij mij zat de schrik er goed in. Een aanrijding is op zich al een ingrijpende ervaring, maar het scheppen van een literaire reus zou dat ongetwijfeld allemaal nog veel erger maken.

Als de kwestie eenmaal met politie en verzekeraar was afgehandeld, zou er vast nog een onaangenaam onderhoud volgen met het bestuur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, over de vraag hoe ik het in mijn bolle hoofd had kunnen halen om een succesauteur op de motorkap te nemen.

Gouwenaar
Het was ook een zaak van provinciaal ontzag. Ik was net overgekomen uit Gouda, waar het hele literaire leven was opgetrokken rond de persoon van Leo Vroman. De geboren Gouwenaar woonde sinds de jaren vijftig samen met zijn Tineke in de Verenigde Staten, en gaf geen blijk van ook maar het begin van een behoefte terug te keren naar zijn geboortestad. Dat was jammer, maar tegelijkertijd konden wij in de kaasstad wel rustig rondrijden zonder de vrees een wandelende winnaar van de P.C. Hooftprijs omver te kegelen.

Zijn afwezigheid verschafte de tengere figuur van Vroman mythologische afmetingen. Zo eens in de vijf jaar maakte de dichter, reizend naar een belangrijk literair festival, een korte tussenstop in Gouda. Daar wachtte hem een groots onthaal: zodra hij uit de trein stapte, begon op het perron een koor van schoolkinderen te zingen. De burgemeester stak nerveus een toespraak af, Vroman fluisterde een paar nieuwe versregels en daarna was het tot diep in de nacht feest.

Bedankbrief
Voor een dergelijke bewondering was in Amsterdam geen plaats.

Toen ik terug op de redactie nog wat bleek om de neus vertelde over mijn bijna-botsing met Nooteboom, sloeg de chef van de kunstredactie een arm om mij heen en stelde hij mij gerust met de mededeling dat er in de hoofdstad ontzettend veel schrijvers wonen en werken. Een meer of minder, dat zou niemand merken.

Bovendien: productief als hij zijn mocht, had Nooteboom het niveau van zijn roman Rituelen (1982) nooit meer geëvenaard.

Voor repercussies uit de literaire wereld hoefde ik al helemaal niet te vrezen, ging de chef verder. Als hij zijn pappenheimers kende, kon ik misschien zelfs rekenen op een bedankbrief van de uitgever voor de omzetverhoging die een tragisch overlijden van een kunstenaar onvermijdelijk met zich meebrengt. De collega's zouden het condoleanceregister juichend ondertekenen, blij met de weggevallen concurrentie en de vrijgekomen kaarten voor het Boekenbal.

Bevrijdende ervaring
Het duurde even voor ik het allemaal verwerkt had, maar daarna maakte een gevoel van grote opluchting zich van mij meester. Een bevrijdende ervaring was het. Natuurlijk. Dit is Amsterdam en we zijn allemaal Amsterdammers. De een is niks meer dan de ander, ook al schrijft de een het ene meesterwerk na het andere en kan de ander daar alleen maar van dromen. Weg met dat provinciale ontzag voor de scheppende kunst!

In de dagen daarna paste ik mijn gedrag aan op mijn nieuwe overtuiging. Ik blafte Connie Palmen terug als zij bij de warme bakker voordrong met haar halfje knip omdat ze zogenaamd midden in een hoofdstuk zat. Ik vroeg A.F.Th. van der Heijden op barse toon niet meer in het portiek te wateren. En ik reed op mooie zomeravonden fluitend door de binnenstad, zorgeloos zoekend naar een parkeerplaats. Ik was vrij.

Woensdag schrijft journalist Addie Schulte over het overdreven geloof in de stad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden