Roos SchlikkerBeeld Oof Verschuren

Hij was een onenightstand. Nu zijn we 20 jaar samen

PlusRoos Schlikker

Hij zal slapen als ik thuiskom. Zo gaat het al dagen en zo zal het nog weken zijn. Ik moet veel naar lezingen en afspraken en kom pas laat terug in Amsterdam. Overdag spreken we elkaar, maar vooral over praktische zaken. Ons raamkozijn dat verrot blijkt, eet je thuis, o nee waar dan, gitaarlessen voor de kinderen, hoezo heb je die belastingaanslag niet betaald – jij zou dat toch doen – waarom gooi je alles bij mij over de heg – dat doe ik helemaal niet.

Is dit waar we voor tekenden toen we trouwden? Ik had hem bedoeld als onenightstand. Na eindeloos aanmodderen met getormenteerde knipperlichtvriendjes wilde ik me een tijdje aan niemand binden. Deze man met staart, oorbel en Frans accent leek me geweldig voor één nachtje.

We zijn twintig jaar verder. Ik ben niet goed in onenightstands. Maar ik ben ook niet goed in dagen die op elkaar lijken.

Ik zit weer in de auto. Het donker van de avond slokt het asfalt op. Ik richt mijn ogen op de witte strepen voor me en denk opeens: zal ik doorkarren?

Doorkarren naar Antwerpen. Jaren geleden zagen we Bruce Springsteen daar in het Sportpaleis. Bruce, mijn liefde bij wie het ook ooit begon met één nacht, toen ik zijn plaat Born to run almaar op repeat zette. Springsteen die sindsdien ook altijd bij me is gebleven. Hij gaf in België een wereldconcert. We sprongen en hopsten, even geen vermoeide veertigers maar tieners vol levensdrang en hormonen.

“Is anybody alive out there?” Uit één mond klonk: “Yeah!” Na afloop dansten we richting de slaapplek die een kennis me had aangeraden. “Als je in Antwerpen bent, móet je hierheen. Zo rustiek.”

Op de drempel werden we verwelkomd door een rustieke putlucht die ons bij iedere ademteug leek te vergiftigen. Onze kamer stond in rustiek neonlicht van een buitenlamp die groen flikkerend de hotelnaam schreeuwde. Iemand betrad zijn kamer boven ons en we hoorden exact hoe hij zijn schoenen uittrok, een slok water dronk en een rustieke scheet liet. We glimlachten vergoelijkend, beiden benauwd om met klagen de sfeer te bederven. Maar net nadat we voorzichtig waren gaan liggen op de rustiek klamme lakens, slaakte mijn Franstalige een onvervalst Nederlandse vloek. “Takkezooi! Ik ben geprikt!” Op zijn voet meanderde een rivier van vlooienbeten.

Het fijne als je geen onenightstand meer bent, is dat één blik genoeg is. Een halfuur later scheurden we over de A2. ‘Cause tramps like us, baby, we were born to run.’ Nog even en we waren thuis. Ons huis dat ons plotseling weer nieuw en weldadig leek.

Nu rijd ik in eenzelfde duister. Zal ik doorkarren? Nee. Niet alleen. Ik stop bij een benzinestation en app hem. ‘Vergeet die belasting. Laten we morgen even weggaan.’ Want je kunt altijd naar Antwerpen. Om midden in de nacht weer naar huis te sjezen. Waar alles even anders lijkt.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden