null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Het was misschien wel de laatste keer dat ik mijn vader in leven had gezien

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Aan de andere kant van het land kreeg mijn vader zijn zoveelste morfinespuit.

Hier ging het leven ook verder.

De melk was op.

Er waren geen appels meer. (Ik las een verontrustend stuk in de krant dat door de oorlog in Oekraïne de Nederlandse appel in de verdrukking kwam, omdat de voor Rusland bestemde appels nu naar het westen worden gestuurd. Elstar of jonagold kopen dus.)

Maar ik ging niet naar buiten, en al snel waren de appels uit mijn gedachten verdwenen.

Ik dacht aan hoe ik afscheid van mijn vader had genomen, de laatste keer dat ik hem zag. Misschien wel de laatste keer dat ik hem in leven had gezien.

We hadden gerookte zalm voor hem gehaald, en hem aan zijn bed in de huiskamer gedag gezegd. Hij zag er zo broos uit dat ik alleen een hand licht op zijn schouder legde.

“Volhouden, hè?” zei ik.

Een wat onhandige opmerking, omdat hij wist dat hij er niet meer bovenop zou komen.

Hij keek me alleen maar aan.

Ik had hem geen hand gegeven. (Ik heb hem nog steeds niet gekust.)

Al buiten, en vlak voor ik in de auto stapte, keerde ik om. Ik liep weer naar binnen en naar de huiskamer om mijn telefoon van de tafel te pakken.

Mijn vader had de dekens teruggeslagen, en hij lag halfnaakt in bed, met een witte, plastic plasfles tussen zijn benen.

Onder zijn pyjamajasje zijn gekleurde benen, zijn dunne benen met de blauwe en rode en paarse en gele plekken, de wond op zijn voet, de harde, witte nagels. Ik zag het allemaal heel scherp, maar mijn ogen werden toch naar zijn handen getrokken.

De handen die hij om het urinaal had geklemd.

Ik weet niet of hij mij de kamer binnen had horen komen.

Hij lag met gesloten ogen te plassen.

Ik bleef gebiologeerd staan kijken naar zijn handen. Voelde dat ik moest blozen.

Toen liep ik zonder geluid te maken de kamer uit.

In de auto terug naar huis probeerde ik me te herinneren wat ik over zijn handen had geschreven. In mijn lang geleden verschenen dichtbundel stond er een gedicht over.

Thuis trok ik Lichaam uit de kast. Handen, is de titel van het gedicht dat zo begint:

Wanneer ik aan mijn vader denk, denk ik nooit aan zijn handen.

Zou ik ze herkennen als ze in een glazen pot op sterkwater

Voor me op tafel werden gezet?

Dat is waar de gedichten over gaan, over de onkenbaarheid van de ander (ja, afgezaagd, maar de bundel is uit 2011), en die ander was mijn vader.

Ik haalde het moment met de plasfles terug, dat voorlopig laatste beeld dat ik van mijn vader heb, maar ik zag zijn handen niet voor me verschijnen.

Weer een kans voorbij laten gaan die handen goed in me op te nemen.

We kijken niet goed genoeg.

Hoeveel appels had mijn vader in zijn leven wel niet in zijn handen gehad?

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden