Opinie

‘Het voelde onwennig. Waarom zou ik een kapje opdoen?’

‘Coronastalletje’ op de Dappermarkt met desinfecteermiddelen en mondkapjes: gaan we die trouw dragen?Beeld Jakob van Vliet

Hoe gaat een Nederlander om met mondkapjes? Antropoloog Danny de Vries reflecteert op zijn eigen gedrag. Is het cool om een masker te dragen?

Ik zag voor het eerst iemand op tv een mondkapje dragen in Nederland op 28 januari, een maand voordat het ­eerste coronageval hier werd ontdekt. Waarom hij een mondkapje droeg? “Ja, ik weet het niet,” zei de man, “de eerste coronagevallen zijn nu in Duitsland, Engeland en Frankrijk: we zijn omsingeld. Better safe than sorry!”

Twee weken later, begin februari, vloog ik naar Bangkok, een beetje nerveus wel. Er waren toen 25 gevallen bekend in de stad van 8 miljoen inwoners. De week ervoor had de WHO een waarschuwing afgegeven, en in China was het dodental groter dan tijdens de hele Sars-epidemie van 2002/2003. Maar ook al tellen ze niet goed, zei ik tegen mezelf, wat is de kans dat ik net iemand tegenkom die het virus heeft en in mijn gezicht niest?

Twee dagen voor vertrek werd ik zelf snip­verkouden. Mijn collega’s in Amsterdam zeiden nog lachend dat het een goed idee was om een paracetamolletje te nemen voordat ik het vliegtuig zou uitstappen, zodat ik niet in quarantaine zou worden gezet.

Ongerust overtuigde mijn vrouw me er nog van om handgel te kopen en mijn rolkoffertje goed schoon te maken. Ik bestelde ook nog even snel een FFP3-masker (toen nog zonder problemen te verkrijgen voor 15 euro).

Halverwege de lange vlucht kreeg ik plotseling de eerste mensen met mondkapjes in het vizier. Ze bestonden dus echt. Maar de shock kwam toen ik half slapend het vliegtuig uitstapte: plotseling droeg iedereen een mondkapje. Sommigen strak om de mond, anderen hadden het laag over hun gezicht hangen. Zag ik er daar eentje met een mooi design? Een masker als fashion, dat had ik nooit gedacht. Is het cool om een gezichtsmasker te dragen? Kan dat?

Nederlandse nuchterheid

Op weg de stad in vroeg ik mijn taxichauffeur naar zijn strak zittende masker. “De P.M. is 2.5,” zei hij. “Vandaag is het nationale feestdag. P.M. beter.” Ik leerde dat hij het had over de luchtkwaliteit. Covid-19 mag dan erg zijn, de luchtkwaliteit in Bangkok is al jaren dodelijk. En wereldwijd goed voor 8 procent van alle doden volgens de WHO. In Bangkok is een mondkapje al veel langer normaal.

De komende dagen probeerde ik mijn eigen kapje uit. Het lukte eigenlijk niet zo. Om me heen zag ik de helft van de mensen zonder kapje, of met geïmproviseerde stukjes katoen. Het voelde onwennig. Mijn Nederlands nuchterheid streed met de zinnigheid van het hele gebeuren. Waarom zou ik een kapje opdoen als er niemand in de buurt liep? In de taxi ging het kapje op en af. Tijdens een dagje vrij, op weg naar de prachtige Wat Pho-tempel merkte ik niet alleen dat ik constant aan het ding zat te friemelen, maar ook dat naarmate de dag vorderde, het Thaise publiek zelf de mondkapjes massaal liet zakken.

Snipverkouden gaf ik mijn presentatie op de Mahidol Universiteit. Mijn gastvrouw vertelde lachend dat niemand van de staf kapjes draagt. Toch zag ik een kleine legertje vrouwen in de keuken met mondkapjes. Een collega en huisarts verzekerde me dat het een hype is, want na een uurtje zijn ze vochtig en laten ze het virus zo door.

Statement van eenheid

Antropoloog Christos Lynteris schreef in de New York Times over de historische en culturele context van mondkapjes. Maskers staan niet alleen symbool voor medische moderniteit, maar zijn ook een symbolisch statement van eenheid tijdens een epidemie. Collega-antropoloog Gideon Lasco schreef in Sapiens dat maskers een gevoel van zekerheid geven. Een ritueel, bedoeld om met onze nervositeit en angst om te gaan.

Het duurt even, maar na vier dagen was ik eraan gewend. Zelfverzekerd begaf ik me weer op het vliegveld, met een rustgevend gevoel van veiligheid. Om me heen droegen vrijwel alle reizigers kapjes. Ik ook. Het voelde als een overwinning.

Totdat ik bij de gate voor de KLM-vlucht naar Amsterdam kwam. Stoïcijns zaten er zo’n tweehonderd Nederlanders zonder mondkapje op een hoop. Een enkeling droeg er een. Verbijsterd voelde ik hoe de sociale druk om toch ook maar weer ‘normaal’ te doen me trof. Het mondkapje ging weer af. En toch weer op. Ik had het beloofd aan mijn vrouw! In het vliegtuig was ik een van de weinigen met kapje op. Totdat het eten kwam. Daarna bleef toch ook mijn kapje af. Ik was weer thuis. 

Danny de Vries is antropoloog op het gebied van gezondheid en zorg aan de Universiteit van Amsterdam.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden