James Worthy.Beeld Agata Nowicka

Het verzorgingshuis is geen plek voor liefde

PlusJames Worthy

Mijn oma stierf in een verzorgingshuis. De definitie van verzorgen is ‘geven wat nodig is’. Soms is de dood nodig. Broodnodig.

Mijn oma had een vriendin in het verzorgingshuis. Die vriendin gaat maar niet dood. Ik bezoek haar nog elke week. Ik bezoek haar vaker dan ik mijn oma bezocht.

Ze ligt in bed en vertelt verhalen. Over de oorlog. Over jongens. Over haar baantje in Artis. In het voorjaar borstelde ze de kamelen die in de rui waren. Maar ze vertelt vooral over jongens.

“Ik was zo vaak verliefd. Mijn hart was een klimop die de gebouwen waar de leuke jongens woonden binnen een mum van tijd bedekte. En dan klom ik omhoog. Ik had geen hoogtevrees. In de Anjeliersstraat woonde een leuke gozer. Hij werkte op de markt. Spierballen als stationsklokken.”

“Wat voelde u dan als u verliefd was?”

“O jongen, dat vuur. Een vuurzee vol onvergetelijke vissen. En op die momenten voelde ik me niet zo nietig. Als je verliefd bent, draait alles om jou. De zon komt op voor jou. De vogels zingen voor jou. De liedjes op de radio gaan over jou.”

“Ben u nog weleens verliefd?”

“Het verzorgingshuis is geen plek voor liefde. Kijk om je heen, jongen. De wormen zitten in de wachtkamer op ons te wachten. Iedereen is aan het aftakelen. Verwelken. Afbrokkelen. Ik val niet op gruis. Ik val op knapperds. In de Lindenstraat woonde een knapperd. Ik weet niet meer hoe hij heette, maar iedereen noemde hem Nico. Hij woonde op driehoog. Dan klom ik naar zijn slaapkamerraam toe en daar stond hij dan. Nico had een kaaklijn als een vliegdekschip. Niemand heeft mij ooit nog zo kunnen beminnen. Nico leerde mij wat de definitie van beminnen is.”

“Wat is de definitie van beminnen dan?” vraag ik.

“Twee minnen die met elkaar vrijen worden een plus.” Ze doet het voor met twee wijsvingers.

“Leven al die mannen nog?”

“Vast niet. Dat soort mannen wordt niet oud. Veroveraars sneuvelen razendsnel. Het zijn de afwachters die overblijven. Op de Passeerdersgracht woonde de jongen die mijn man werd. Hij werkte in een apotheek. Na werk nam hij altijd dropjes voor me mee naar huis. Hij was zo lief. En zo knap. En hoe hij naar me keek. Als hij wakker werd, voelde ik zijn ogen. Hij keek elke ochtend naar me alsof ik in de nacht in een andere planeet was veranderd. Een betere en mooiere planeet. Dan pakte hij mijn hand vast en keek hij ernaar alsof hij nog nooit vingers had gezien. Hij woonde op de Passeerdersgracht, maar ik kon hem nooit passeren. Nooit. Ik wilde naast hem blijven staan. Achter hem. Tot die ene dag. Toen hij doodging, moest ik hem wel passeren. En nu lig ik hier. Een oude, lege vrouw, maar wel eentje vol verhalen. Heb ik je weleens verteld over mijn baantje in Artis?”

“Nee, nog nooit,” lieg ik.

“In het voorjaar borstelde ik de kamelen,” zegt de mooiste planeet.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden