Maarten Moll.Beeld Sjoukje Bierma

Het verpleeghuis tegenover was een sterfhuis geworden

PlusMaarten Moll

Ik zag een dode, alleen leefde hij nog.

Hij kwam zomaar het verpleeghuis uitgelopen. Alsof er niets aan de hand was.

Geen twijfel mogelijk: hij was het. Beetje gedrongen, snor, petje, slobberbroek, oranje shirt. Vaak gezien, af en toe gegroet, nooit een woord mee gewisseld.

Ik schrok, want ik had hem dood gewaand.

Het verpleeghuis tegenover was een sterfhuis geworden. Zwaar was het getroffen door het coronavirus. Meer dan een kwart was overleden. We hadden het, we wonen tweehoog, goed kunnen volgen. Op een gegeven moment leek er bijna permanent een ambulance voor de deur te staan.

Het gebouw zelf leek er ook steeds somberder uit te gaan zien. Donkere gaten waar eerder nog het licht van schemerlampen en de televisie was te zien.

Het was een weken durende, rechtstreekse uitzending over vergankelijkheid die we zagen.

Die zwarte bus die op een dag op de stoep stond. Twee personen in witte pakken, witte handschoenen en witte mondkapjes, die een brancard naar buiten reden met daarop een ingepakt lichaam. De brancard die achter in de bus werd geschoven.

De twee die zich uit de witte pakken wurmden en, nu in grijszwarte pakken, uitvaartverzorgers bleken te zijn. Toen ze zacht de klep hadden neergelaten, bleven ze naast elkaar staan. Armen langs het lichaam, gebogen hoofden. Na seconden stil te hebben gestaan, maakten ze een buiging. Gewoon, zomaar op straat. Triest en mooi tegelijk.

We zagen een huilende man die naar zijn moeder zwaaide, op driehoog.

Klappende mensen langs de weg toen een lijkwagen voorbijkwam, fakkels die werden afgestoken (rode rook, waarschijnlijk voor een oude Ajaxsupporter).

Een ander busje (lichtbruin) dat weken in de buurt geparkeerd stond en waarvan M. dacht dat het een soort hulpambulance was die direct ingezet kon ­worden.

We zagen hoe kamers werden leeggeruimd, hoe ­gordijnen werden afgehaald en, na een wasbeurt, weer werden opgehangen. Hoe nieuwe bewoners hun intrek namen.

Verstoord beeld.

Al die tijd had ik niet aan de man in het oranje shirt gedacht. Ik had hem blijkbaar ook niet gemist.

“Ik sta op de bus te wachten,” is het enige dat ik hem ooit heb horen zeggen. In de winter zag ik hem weleens bij het fietsenrek voor het verpleeghuis het ijs van de zadels krabben.

“Waarom dacht je dat hij dood was?” vroeg M..

Ik geloof dat ik er gewoon maar van uit was gegaan dat hij een slachtoffer was geworden van het coronavirus. Ik had de man zomaar afgeschreven. Heel makkelijk.

En daar stapte hij kalmpjes het verpleeghuis uit.

Verstoord beeld.

Opluchting.

Knagend schuldgevoel.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden