Gijs GroentemanBeeld Artur Krynicki

Het verhaal van zijn imperium had geen happy end

PlusGijs Groenteman

Omdat dit mijn laatste column is (SNIK!), volgt hier een volstrekt particuliere herinnering.

Mijn vader, Rob Klap, leerde ik pas kennen toen ik een jaar of tweeëntwintig was. We spraken af in Café De Pool in de Oude Hoogstraat. Dat café was voor hem het begin geweest van zijn Amsterdamse glorieperiode die, toen ik hem ontmoette, al een tijd achter hem lag.

Begin jaren zeventig was Rob min of meer bij toeval achter de bar van De Pool terechtgekomen – de baas had gevraagd of hij een paar weken op de zaak wilde letten. Mijn vader had tot dat moment een overal-en-nergensbestaan geleid, maar hij bleek over een perfect gevoel voor horeca te beschikken.

Hij had een filosofie over bruine cafés: “Toen ik begon bij De Pool waren het nog donkere zaken met Perzische tapijtjes op de tafels, waar oudere mannen achter een jonge borrel zaten te klaverjassen. Ik wilde een café maken waar je ook als vrouw alleen naar binnen zou durven en een leuke avond kon hebben.”

Dat lukte. De Pool werd een succes, hij werd de baas, en daarna kreeg hij meer zaken: De Pels, De Prins, De Pieter, De Pieterspoort – de P-cafés waren beroemd in hun tijd. Rob was het epicentrum van een wer­velende Amsterdamse groep mensen die in de cafés kwam, en verwekte tussendoor ook nog mij.

We konden het goed vinden, en hij vond het heerlijk om met mij over zijn cafés, en cafés in het algemeen, te praten. Wat er zoal aan deugde en wat niet.

En over de dingen die hij geïntroduceerd had in de Amsterdamse horeca: de daghap in een café (altijd op een leitje bij de bar wat het die avond was), de versgeperste jus d’orange, het pakje lucifers met het logo van het café erop.

Natuurlijk had het verhaal van zijn imperium geen happy end. Half jaren tachtig onderwierp de belastingdienst Amsterdamse cafés aan Operatie Schuimkraag, een extreem strenge controle, die vele cafés in de problemen bracht en mijn vader de nekslag gaf. Ook omdat hij al jaren flink werd bestolen door zijn personeel.

“Sindsdien,” zei hij altijd tegen mij, “voel ik mij in Amsterdam een has been.” Als we afspraken, wilde hij liefst de stad uit. In zijn laatste jaren werd hij immobiel, en kon hij niet meer weg uit zijn huis in de Huidenstraat, boven De Pels.

Een tijd geleden was ik in De Pool. Het bleek een zaak voor Engelse toeristen geworden. Maar aan de rechtermuur hingen tekeningen van Dirk Wiarda, Peter van Straaten en Jeroen Henneman – blijkbaar kwam de eigenaar uit Robs tijd, en had hij smaak genoeg om die te laten hangen.

Mijn vader is deze zomer tien jaar dood. Ik mis hem, ik mis de cafés in Amsterdam.

Reageren? gijs@parool.nl.

Dit was de laatste column van Gijs Groenteman op Het Hoogste Woord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden