PlusTheodor Holman

Het meisje van een jaar of 12, 13 huilde. Met van die snotsnikken

Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Er werd ’s ochtends gebeld: zwager van mijn vrouw overleden.

Zus woont drie uur rijden weg, maar door de sneeuw zou het langer duren.

Als de dood niet te dichtbij is, maar toch door mijn huis komt tochten, word ik altijd lacherig. Mij overvalt een vermoeide, niet te onderdrukken nerveuze meligheid.

“Moet ik ook een zwarte onderbroek aan, of maakt dat niet uit?”

“Zal ik die rouwranden bij m’n nagels maar niet wegknippen?”

“Mogen wij tweeën van het RIVM wel het huis van de dode bezoeken?”

Het is onbewuste ongepastheid. Mijn vader had dat ook.

Met aan zijn arm mijn huilende moeder naderde hij de open kist waar mijn oma in opgebaard lag en zei tegen haar: “Hallo moeder…” Het ‘hoe gaat het’ had hij net binnen weten te houden.

Na vijf uur rijden kwamen we aan en troffen een huis vol familieleden die ik niet kende. Dus ik stelde me bescheiden op, gaf iedereen een elleboogstootje terwijl ik condoleancebuiginkjes maakte, kuste de verse weduwe (coronafout, maar ja, troost en verdriet glippen soms langs de verbodsborden) en ging maar eens door het dorp lopen toen het huis wat te vol werd. Ontsnappen in doelloosheid kan zo zijn nut hebben.

Het was koud, het jachtsneeuwde en het begon te schemeren – maar toch kostte het me geen moeite bij de dorpsbewoners naar binnen te kijken. Veel donkere meubels en aan de muur gigantische tv-schermen.

Het was bij één van de laatste huisjes voordat het grote weiland begon met daarachter het bos, dat ik op een muurtje een meisje van een jaar of twaalf, dertien zag en hoorde huilen. Met van die snotsnikken. Ze leek ingepakt in wol. Enkele sneeuwvlokken kleefden aan haar jas, muts en wanten. Haar voetjes in witte sneakers wezen naar elkaar. Ik kon haar niet vermijden.

“Is er iets waarmee ik je kan helpen?” vroeg ik.

“Nee,” snotsnikte ze. Ze keek me even schichtig aan. Doorgelopen make-up. Uit mijn zak haalde ik een pakje Kleenex en bood haar, op veilige afstand, een zakdoekje aan en zei: “Ik heb ook hondensnoepjes als je die liever hebt?” Ze moest niet lachen, maar haalde haar schouders op. Ze schraapte haar keel en zei: “Ik mag van mijn vader niet verder dan tot hier komen. En mijn beste vriendin is jarig!” Ze rilde.

Op het muurtje zat een klein gedichtje.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden