Plus

Het levenloze is wonderlijker dan het net begonnen leven

Beeld Wolff

Ik stond aan het wiegje en bewonderde het kindje dat er in lag. Het sliep. Handje aan het rozenmondje. Omdat iedereen zweeg, zei ik ook maar niks, maar ik voelde wel de druk om iets op te merken, vermoedelijk omdat ik de oudste was."

Wat is het leven toch raar," begon ik, "ik stond daarnet... Au!"

Die 'Au!' was oprecht, want ik kreeg een harde trap van mijn vrouw. Ze had feilloos door dat ik wilde vertellen dat ik nog geen uur geleden aan een open kist had gestaan en had gezien dat de dood zich verborgen had in het doorschijnende gelaat van een bekende die opeens onbekend geworden was.

Ach ja, misschien was het wel smakeloos om nu over de dood te beginnen, terwijl ik eigenlijk niet eens goed wist wat er in dat wiegje lag, want wegens desinteresse was ik naam en geslacht vergeten.

"Ik bedoel," hernam ik de zin, "wat is het leven toch raar. Hoe kan het dat je met elkaar de liefde bedrijft en dat er dan na negen maanden zoiets volmaakts tevoorschijn komt?"

Het was retorische luchtverplaatsing en meer niet. Gelukkig knikten de ouders. Terwijl ik weer breed lachend in de wieg keek, verdween de ontmoeting met de dood en de dode niet uit mijn hoofd; zou het mijn leeftijd zijn die het levenloze wonderlijker vond dan het leven dat net was begonnen?

"Wat zijn die handjes lief, en dat mondje," zei ik. Die zin voelde alsof ik drie maten te vroeg was ingevallen en alle leden van het koor, inclusief de dirigent, mij boos aankeken.

Bij de dode was het trouwens gezellig geweest. Ik hou niet van open kisten en om mijn angst wat weg te duwen, ging ik wat grappen maken en anekdotes vertellen. Ik had trouwens wel de indruk dat het de familie troostte. Maar bij dit kind wist ik niets te zeggen.

Opeens gebruikte iemand de naam van het kindje. Goddank. Ik hoorde dat het een jongetje moest zijn.

Waar was mijn dochter met mijn kleinkinderen, godverdorie? Want dit waren haar vrienden en hier zou de overdracht plaatsvinden. Ik kende dus ook de ouders en de familie niet echt.

Dan gaat eindelijk de bel en komt mijn dochter met de kleinkinderen.

De kinderen zijn verrukt van de baby en eindelijk sluipt de dood uit mijn geest.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden