Karin Spaink Beeld Artur Krynicki

Het leven in Weesp was tussen tafellaken en servet

Opinie

Geboren ben ik er niet – in die dagen werden baby’s in het ziekenhuis gehaald, zodat ik verplicht in Amsterdam ter wereld kwam – maar getogen ben ik er wis en waarachtig: tussen dag twee van mijn bestaan en ergens na mijn zestiende woonde ik in Weesp.

Het leven daar was er een ­tussen tafellaken en servet. Weesp had van alles een beetje en van niks genoeg. Zo had het meer kerken dan cafés. Wie meer ambieerde dan de lts of ­huishoudschool kon nergens ­terecht, en moest voor een verdere opleiding verplicht de stad uit: zelfs voor de mavo moest je kiezen tussen dagelijks treinen naar Hilversum of Amsterdam.

Dat was een keuze met consequenties: de helft van het stadje had de blik eenzijdig op Amsterdam gericht, waar veel bewoners vandaan kwamen, en de andere helft keek reikhalzend naar het Gooi: Hilversum, ­Naarden, Bussum. Een beetje alsof Weesp niet wist te kiezen, en daarom liever haar eigen kinderen met dat dilemma opzadelde. Noordelijk: de oorsprong, de variatie, meer keuzes en meer vrijheid. Zuidelijk: de lokroep van oud geld en vermeende chic.

We hadden een openbare bibliotheek waar ik tweemaal per week drie boeken haalde (meer mocht niet), totdat ie in de fik vloog. Muiden lag vlakbij, en daar ontplofte de kruitfabriek met een immense dreun. We woonden in de stank van Philips Duphar en de zoet-misselijke lucht van de chocoladefabriek van Van Houten. De Laurentiuskerk stond ooit in de fik (en deed dat jaren later nogmaals). We flaneerden in de Slijkstraat, die we onderling stiekem de Modderstraat noemden, en elk jaar verkocht ik kinderpostzegels bij de woonboten langs de Vecht. Elders in het water was een zwembad, afgezet met palen. Soms was dat dicht: dan werd de Vecht geplaagd door ratten.

Onze buurman verkocht steenkolen, waarvan we jaarlijks een paar mud kochten voor in de woonkamerkachel, die het hele huis warm hield. Soms mocht ik de ventende melkboer helpen: hij verkocht melk per losse liter.

Pakweg de eerste tien jaar van mijn leven ging ik eens per week in bad, in een zinken teil in de woonkamer: eerst ik, daarna mijn broertje, die zich schoonboende in mijn gebruikte badwater. Het ding werd met emmers warm water gevuld. Pas jaren later vroeg ik me af hoe mijn ouders het gevaarte nadien in hemelsnaam weer leeg kregen.

Soms haalde ik mijn vader op van het station als ie thuiskwam van zijn werk, en had dan ­moeite hem bij te houden: mijn beentjes waren nog wat kort. Mijn moeder kreeg een baan als verkoopster van de flats van het Bouwfonds: dat zou later de Bijlmermeer worden.

Inmiddels ben ik 61, en woon al 45 jaar in Amsterdam. Binnenkort wordt Weesp bestuurlijk bij de gemeente Amsterdam gevoegd, en hoe dichterbij dat komt, hoe intenser ik me verbaas over alle veranderingen die de afgelopen decennia hebben plaatsgevonden. De afstand tussen het leven van toen en nu lijkt haast onoverbrugbaar.

Reageren? k.spaink@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden