Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Het leek soms of men wilde opscheppen met het leed dat men had meegemaakt

PlusTheodor Holman

Bevrijdingsdag was nooit een prettige dag. Omdat mijn vader dan vrij had, moest er naar mijn oma worden gegaan bij wie ook de rest van de familie op bezoek kwam.

Meestal eindigde zo’n bezoek met mijn vader die bars zei: “Kom, we gaan!” Dat gebeurde ook wel eens als we nog niet het avondeten hadden genoten.

Als kind voelde ik de spanning. Niet zelden kwam ons nog een oom achterna of we toch alsjeblieft niet wilden terugkeren ‘voor oma.’ Maar terwijl mijn moeder, broer, zus en ik doorliepen, zette mijn vader nog even met oom of tante de discussie voort.

Achteraf heb ik begrepen waar ieder jaar weer de discussie over ging: de familie van oma had het alleen maar over de oorlog in Nederland, mijn ouders kwamen er met hun Japanse kampverleden domweg niet aan te pas.

“Bij jullie in Indië begon de oorlog niet in 1940, maar in 1942.”

“Jullie in Indië hadden lekker weer.”

“Japanners zijn geen Duitsers. Japanners zijn beschaafde mensen.”

“Jullie hebben in Indië geen liquidaties gehad. Daar heb ik niets over gelezen.”

“Er was in Indië geen antisemitisme.”

Jaar in jaar uit. Er is zelfs een moment geweest dat mijn moeder op haar benen de littekens liet zien van de martelingen.

“Ja, erg, Koks,” mijn moeder heette Koks, “maar er waren daar geen gaskamers.”

En dan zei mijn vader: “Kom, we gaan!”

Familiebijeenkomsten – zo herinner ik me ook nog wel van toen ik ouder was – leken vaak op veilingen van heldhaftig gedrag.

En van die familie was niemand een echte held geweest.

Na het overlijden van mijn grootmoeder verminderden de grote familiebijeenkomsten en daarmee ook de ergernissen van mijn ouders.

Wat betreft de oorlog waren er andere zorgen; vader en moeder kregen fysieke klachten die werden gerelateerd aan de oorlog.

Is het iets van mijn generatie dat het soms leek of men wilde opscheppen met het leed dat men had meegemaakt? Of was het domweg een roep om een vorm van erkenning?

In discussies met mijn vader probeerde mijn vader zijn oorlogsleed (vader onthoofd, moeder en vrouw gemarteld) wel te relativeren door ons te wijzen op de familie R.

“Mijnheer en mevrouw R. hadden beiden de vernietigingskampen overleefd en twee kinderen gekregen. Ze gingen in hun auto naar Rotterdam en werden aangereden. Drie stierven er. Mijnheer R. bleef leven. Wat had hij nog aan zijn leven?”

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden