Artikel WitBeeld Oof Verschuren

Het is vloeken in de kerk, maar ik mag millennials wel

PlusRoos Schlikker

“Hebben we er zin in? Dat kan harder!” brult de sensei. In een hete gymzaal zitten zestig ouders en minstens veertig bloednerveuze kinderen bijeengepakt. Judo­toernooien zijn één grote anticlimax. Je wacht uren tot je kind de mat op mag en klatskledderiebam, binnen tien seconden ligt hij spartelend op zijn ruggetje terwijl een joch z’n volle gewicht in zijn ribbenkastje duwt. Wedstrijd voorbij.

Zo gaat het bij ons althans, want de jongste heeft vele gaven maar een judotalent is ie niet. Zelf acht hij zich echter een kruising tussen Ruska en Van der Geest.

Gisterenavond probeerde ik de verwachtingen derhalve ietwat in te tomen. “Liefje,” kweelde ik. “Als je verliest, ben ik ook trots.” Fout, volgens sommige opvoedgoeroes. We pamperen kinderen, dat werkt narcisme in de hand. Zie die verfoeilijke millennials. Totaal kapotbecomplimenteerd waardoor ze eisen rondstrooien als was het ’t snoepgoed dat ze vroeger vrijuit mochten pakken.

Het is vloeken in de kerk, maar ik mag millennials wel. Ja, sommigen hebben idiote wensenlijstjes (“Ik wil een eigen yogapraktijk, én ik wil een man die heel woke is, én lekker, én ik wil een maandsalaris boven de 4000, én ik wil genoeg me-time. O ja, én dj’en op Bali”). Maar ze durven tenminste te vragen. Ze durven grenzen aan te geven (“Hé man in de bus, haal je hand van mijn kont”).

En ze durven te ontvangen. Veel. Maar intussen leest mijn generatie zich scheel aan hulpboeken over zelfliefde en dat is ook geen pretje.

Ach, een opvoeder is een stakker die in het duister tast en de enige zekerheid over kinderen grootbrengen is dat altijd iemand zegt dat je het fout doet. Jeffrey Wijnberg pleitte laatst nog in De Telegraaf bloedserieus voor de corrigerende tik, omdat ouders immer het laatste woord moeten hebben.

Nu geloof ik meer in een vriendelijk constructief laatste woord dan in de taal van mijn handen, maar dat ligt natuurlijk aan mij. Sterker: ik complimenteer me de rambam. Ik vind het leven namelijk al pijnlijk genoeg.

Zoals nu in de gymhel. Mijn kind staat aan de zijlijn niet wetend waar hij zijn armen moet laten. “Ben je zenuwachtig?” Knikje. “Ik vind je sowieso fantastisch.” “Niet.” Grom. “Ik moet winnen.” Tien seconden later ligt hij op z’n ruggetje.“Kan gebeuren,” murmel ik, als hij terugsjokt. Niets doen, weet ik. Niet wegpoetsen. Want wie z’n kroost alles in de wereld gunt, gunt ze ook hun teleurstelling. Sterker: als kinderen winnen, is het leuk voor ze, maar als ze verliezen, is het goed voor ze. Dat geloof ik heilig.

Maar intussen zie ik zijn schouders die mismoedig richting gymzaalzeil zakken. Hij kauwt op een boterham. Vijf minuten. Tien minuten. Hij kijkt naar zijn vriend die de mat opgaat. Dan hoor ik hem zachtjes mompelen: “Kom op. Toe dan.” Het jongetje maakt een ippon. Mijn zoon springt op “Ja! Ja! Ja!” Hij juicht alsof hij zelf gewonnen heeft. Wat ook zo is. Want hij was de allerbeste verliezer. Reken maar dat ie dat te horen krijgt.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden