Theodor Holman Beeld Artur Krynicki

Het grote huis vol verdriet wordt afgebroken

Plus Theodor Holman

Dat grote huis van tante Loes en oom Ivo in Baarn wordt afgebroken. Ik reed er bij toeval langs.

In mijn jeugd kwam ik er wel eens. Mijn vader had met oom Ivo in het kamp gezeten. Tante Loes – die in een buitenkamp was gevangengezet – had oom Ivo na de oorlog op de boot naar Nederland ontmoet en ze waren meteen getrouwd omdat je beter elkaars oorlogswonden kon likken dan van de zenuwen je eigen korsten opeten.

Maar tante Loes werd godsdienstwaanzinnig.

Dat werd aanvankelijk voor mij geheim gehouden, maar mijn vader vergat soms dat ik in de buurt was, en als oom Ivo door de telefoon de toestand van tante Loes had uitgelegd, gaf hij die vervolgens uitgebreid door aan mijn moeder.

“Het is helemaal mis met Loes. Ivo vertelde dat ze een ontmoeting met de duivel had gehad en dat die haar had opgedragen naakt door de straat te lopen…”

“Dan dachten de buren zeker dat zij de duivel was,” zei mijn moeder, die tante Loes niet mocht.

“Ze is nu weer opgesloten,” zei mijn vader.

Toen mijn ouders samen met oom Ivo tante Loes in de inrichting gingen bezoeken, moest ik alleen in dat grote huis blijven. Ik zal tien zijn geweest. Ik liep door de grote kamers en kon niet genoeg krijgen van de relikwieën: maskers, wajangpoppen, olifantjes van been, mariabeelden, kruisbeelden, iconen, een foto van oom Ivo in een wit pak met tropenhelm bij een dode olifant, een prent met Gregoriaanse muziek.

Ik sprak mezelf moed in als ik naar de spullen keek.

Ik hoorde na een tijd gelukkig de voordeur opengaan en de stemmen van mijn ouders. Oom Ivo kwam alleen de kamer binnen. Hij zag mij en barstte in huilen uit, terwijl hij zijn handen voor zijn ogen sloeg.

Mijn moeder was snel bij hem.

“Kom op, Ivo. Je moet sterk zijn,” zei ze.

Mijn vader wenkte dat ik met hem mee moest en zette me in de Taunus. “Blijf hier maar even zitten. Oom Ivo is overstuur.”

Ik kon via de autoruit en het raam van het huis redelijk goed zien hoe mijn ouders oom Ivo troostten. Na een uur kwamen mijn ouders naar mij.

Ze zeiden niets tegen mij. Alleen: “Ivo heeft ook hulp nodig.”

Mijn moeder knikte.

“Kassian,” zei mijn vader.

“Ja, zielig,” zei mijn moeder.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden