Erik Jan HarmensBeeld Artur Krynicki

Het binnenkomen van de huiskamer is een beproeving

PlusErik Jan Harmens

Als autist kom ik graag bij de mensen thuis. Wel bij voorkeur als de mensen weg zijn, anders wordt het al snel ingewikkeld. Voorbeeld: als degene die me heeft uitgenodigd me een kop koffie op een schoteltje aanreikt, kijk ik net zo lang de andere kant op tot hij deze op tafel heeft gezet.

Ik vind het namelijk niet te doen om een schoteltje aan te pakken waarop een los kopje is geplaatst (los als in: niet vastgelijmd), met in dat kopje hete koffie. Mijn hand gaat trillen en vervolgens wordt dat waar ik bang voor ben juist door mijn reactie op die angst bewaarheid. In het beste geval mors ik koffie op het schoteltje en in het slechtste geval op mijn hand of de vloerbedekking. Kortom, kom ik op visite: ­please schenk mijn koffie in een mok.

Kom ik bij mensen thuis die ik niet goed of zelfs helemaal niet ken, dan vind ik het binnenkomen van de huiskamer een beproeving. Ik krijg namelijk ineens twee, vier, misschien wel zes of nóg meer namen te horen, die ik zodra ze worden uitgesproken weer vergeet. Soms krijg ik een boek van mezelf in handen met het verzoek het te signeren en dan moet ik dus weer iemands naam vragen, terwijl hij ’m net heeft gezegd. Ik zou kunnen gokken: ‘Voor Jeroen’, want heel veel mannen heten Jeroen, maar zul je net zien hij niet.

Naar de wc gaan doe ik het liefst thuis, maar soms moet je. Omdat ik niet letterlijk wil zeggen wat ik ga doen, maar ook niet zomaar weg wil lopen, vraag ik: ‘Eh, de wc is op de gang?’ Soms is er een lolbroek die zegt: ‘Nee, in de tuin.’ Dan doe ik van hahaha en loop zogenaamd op mijn gemak de kamer uit.

Weggaan is ook lastig. Ik wil niet te vroeg opstappen, maar ook niet te laat, want dan ben je een plakker. In tijden van corona ontvangen verstandige mensen hun bezoek in shifts. ‘Je bent welkom van drie tot vijf’, wordt mij mee­gedeeld en voor mij is dat superoverzichtelijk. Precies om vijf uur sla ik met beide handen op mijn knieën en roep (net iets te hard): ‘Zo, ík stap maar weer eens op.’ Handenschudden, zoenen en omhelzen hoeft tegenwoordig ook niet meer, dus ik grijp mijn jas en peer ’m gewoon.

Buiten hijg ik nog wat na, terwijl ik helemaal niet gerend heb. Het is donker geworden, door een raam zie ik een gezin gezellig met elkaar rond de tafel zitten. Ze doen een bordspel, ik wist niet dat mensen dat nog deden, wat heerlijk anachronistisch. Ik zou wel mee willen doen, maar ik ken ze niet en zij mij ook niet.

Erik Jan Harmens (1970) is schrijver en dichter. Hij schrijft elke week een column over prikkels en andere zaken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden