Patrick Meershoek Beeld Maarten Steenvoort

Herdenking van Kees Hoekert voelde als afscheid van oude stadsindianen

Plus Column

Hoog in de houten koepel­toren van de Oosterkerk hangt een reusachtige klok uit 1671, die de kerkgangers die de blik ten hemel slaan eraan herinnert dat de tijd verstrijkt en dat aan alles een einde komt, aan de preek van de dominee, maar ook aan onze aanwezigheid hier op aarde.

Vorige week was het de beurt aan Kees Hoekert om zich op 88-jarige leeftijd af te melden voor actieve dienst.

Met een bont gezelschap keek ik enkele dagen later in de Oosterkerk naar de open kist met het lichaam van de overledene, dat voor een herdenking was overgekomen van de Veluwe naar de buurt waar Hoekert het grootste deel van zijn leven had doorgebracht.

Dat laatste op tamelijk uitbundige wijze, bleek uit de mooie herinneringen die oude vrienden en ­familieleden staand naast de kist ophaalden. Hoekert was een markante, eigenzinnige en zonderlinge man die van drank, drugs en vrouwen nooit genoeg kreeg. Zijn woonark De Witte Raaf was paleis, partyboot en piraten­schip.

Vanaf die boot legde Hoekert in de vroege jaren zeventig de basis voor het huidige softdrugs­beleid door samen met antirookmagiër Robert Jasper Grootveld zelfgekweekte cannabisplanten te verkopen voor een gulden per stuk - toen dat nog bij wet verboden was.

Tijdens de rechts­zaken voerde Hoekert zijn eigen verdediging, steevast met een betoog waar geen touw aan vast te knopen viel.

Allemaal uit idealisme en drang naar vrijheid. De rebellie der geestverruimers leidde uiteindelijk tot wet- en regelgeving en een bloeiende bedrijfstak met een geschatte jaaromzet van een miljard euro.

Zo gaat dat vaak: zodra de dromers en de drammers hun moeizame pionierswerk hebben gedaan, komen de makers van verdienmodellen het grote geld op­rapen.

Hoekert zelf was daar in alle opzichten ongeschikt voor. Een buurman vertelde dat de man uit principe nooit rekeningen bekeek, maar de post ongeopend aan een balk prikte. De buurman smokkelde geregeld een nota mee naar huis, en zorgde er met een nagemaakte handtekening voor dat Hoekerts administratie niet kapseisde.

Ik keek in de Oosterkerk naar de overgebleven vrienden van de overledene: veelal verwaaide vogels op leeftijd die elkaar voorzichtig in de armen vielen.

De herdenking voelde ook daarom een beetje als een afscheid van deze groep oude stadsindianen: de kunstenaars, idealisten, vernieuwers en mafkezen die in de jaren zestig en zeventig zo'n groot stempel hebben gedrukt op de ziel van Amsterdam.

En al die oude buurtbewoners, ook van de partij in de kerk, die eerst aan Hoekert hadden moeten wennen, en daarna gehecht aan hem waren geraakt. Nadat hij door verregaande klunzigheid brand had gesticht in zijn boot, vond Hoekert enveloppen zonder afzender in zijn brievenbus met een bijdrage voor nieuwe meubeltjes.

Zal in de veranderende stad dat ragfijne web van behulpzaamheid voor kwetsbare mensen wel overeind blijven? Of wordt dat ook iets van vroeger, iets wat hoort bij een tijd die bijna verstreken is?

Reageren? patrick@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden