Opinie

‘Gepruts en gebakken lucht: hoog tijd om de kunstsubsidies te hervormen’

Kunstfondsen verspillen geld aan onzin. De huidige crisis is een mooie aanleiding de subsidies drastisch te hervormen. Hef het Mondriaanfonds en het Fonds ­Podiumkunsten maar op, schrijft componist en auteur John Borstlap.

Kunst in het heropende Ste­delijk Museum. Beeld REUTERS

Onlangs hebben de cultuurwethouders van de grote ­steden het rijk om meer steun gevraagd voor het in stand houden van de cultuursector, die volgens hen noodzakelijk is voor ‘verbeelding, vernieuwing, vooruitgang, vitaliteit en leefbaarheid’. De directeuren van Museum Boijmans Van ­Beuningen in Rotterdam, het Centraal Museum in Utrecht, het Kunstmuseum in Den Haag en het Stedelijk Museum in Amsterdam waarschuwden dat het zonder extra steun een ‘grauwe vlakte’ wordt.

De coronacrisis is een enorme aanslag op de samenleving. Niet alleen de economie, maar ook de cultuursector zou met overheidssteun gaande moeten worden gehouden, om in postcoronatijden weer overeind te kunnen krabbelen. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt ­tussen de drie categorieën die tot de ‘cultuursector’ worden gerekend: het entertainment (pop, musical, cabaret en dergelijke), de museumcultuur (musea, orkesten, opera, serieus theater) en de nieuwe kunst. In die laatste categorie valt nieuwe kunst, zoals die wordt ondersteund door de twee kunstfondsen: de Mondriaan Stichting en het Fonds Podiumkunsten.

Gedateerd begrip

Het entertainment behoort strikt genomen niet tot de cultuur in hogere zin: het is altijd een ­extraatje geweest, voor als aan de belangrijke levensbehoeften is voldaan. Afzonderlijke steun voor entertainment is dan ook niet ­terecht. Deze categorie behoort tot die van de horeca en zou moeten worden meegenomen bij de ondersteuning van die categorie.

Dan is er de museumcultuur, die wel degelijk tot de hogere cultuur behoort. Maar is het ­begrip ‘hogere cultuur’ niet een volkomen ­gedateerd begrip uit vroeger tijden, toen de ‘dominerende klasse’ met ‘cultuur’ haar onderdrukkende positie trachtte te verhullen? Hier raken we aan een Nederlands begripsprobleem: de egalitaire samenleving die hier sinds 1945 is ontstaan, laat een hiërarchie in betekenis van de kunsten niet toe. Dit in tegenstelling tot de ons omringende landen, waar het belang van de ‘hogere cultuur’ vanzelfsprekend is. Wie in Duitsland of Frankrijk vindt dat die cultuur er niet toe doet, wordt terecht uitgesloten van iedere serieuze discussie. Als Nederland vol­wassen wil lijken, moet de ‘hogere museum­cultuur’ worden beschermd tegen de gevolgen van de coronacrisis.

Dan de categorie ‘nieuwe kunst’, dat wil zeggen de kunst die nog niet door de zeef van de geschiedenis is gegaan en dus met zorg moet worden behandeld, om te voorkomen dat waardevolle werken in de afgrond van armoede en onbegrip vallen en dus voor volgende generaties ontoegankelijk zijn. De in de wethoudersbrief genoemde begrippen ‘verbeelding, ­vernieuwing, vooruitgang, vitaliteit en leefbaarheid’ lijken voornamelijk toepasbaar op de nieuwe kunst, want hoe verbeeld je een sym­fonieorkest, vernieuw je het Rijksmuseum of zorg je dat de opera vooruitgaat? Wat betekenen begrippen als ‘vitaliteit’ en ‘leefbaarheid’ precies als we het over nieuwe kunst hebben? Het zijn geen inhoudelijke begrippen, maar lege slogans, gecultiveerd tijdens decennia van ­subsidieaanvragen waar in de aanvraagformulieren de eisen staan geformuleerd die de overheid nodig heeft gevonden als veiligheids­maat­regelen tegen fraude.

Staatspopulisme

Er is echter geen terrein waar fraude zo welig tiert als de grauwe vlakte van de Nederlandse subsidiemolen voor de nieuwe kunst. Belanghebbende partijen zitten in adviescommissies ‘om de kwaliteit te bewaken’, in navolging van het systeem van de voormalige Sovjet-Unie, want kunstenaars moeten niet vrij worden gelaten in wat zij zelf als ‘kwaliteit’ ervaren, net zomin als de publieksreactie van belang is: kwaliteit wordt door de collega’s vastgesteld, die toevallig zelf ook door de kunstfondsen worden gesteund en die dus precies weten hoe nieuwe kunst zich behoort te ontwikkelen.

De overheid vindt dat een prima idee, want deskundigen die kwaliteit bepalen zijn – net als bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de tandarts en de ziekenhuisspecialist – een ­garantie dat de werkzaamheden naar behoren worden uitgevoerd. Meer wil de overheid niet weten. Dat kwaliteit bij cultuur iets fundamenteel anders is dan bij gebits­onderhoud, wordt daarbij in het geheel niet ­gezien.

De nieuwe kunst in Nederland heeft zich in een uitgebreid labyrint vastgelopen, want wat blijkt: uitzonderingen daargelaten leidt overheidssteun tot het talentloze gepruts dat iedere simpele ziel in z’n schuurtje zonder veel moeite kan fabriceren. Het is een vorm van betaald staatspopulisme.

Wie daaraan twijfelt, zou eens kennis moeten nemen van de gênante, vergeefse producten die onder de kwaliteitscontrole van de overheidsfondsen de wereld in worden gezonden – waarvan het enige belang het inkomen van de betreffende kunstenaar is. Het is niets nieuws en er is allang uitgebreid over geschreven. Onder meer in het geruchtmakende boekje van Rikki Simons, De gijzeling van de beeldende kunst uit 1997. Of in de vergeefse hervormingscampagne van Componisten Groep Amsterdam in 2003-2004 en in de doorwrochte bundel ­essays Niet alles is kunst van Kraaijpoel, Meijer en Allan uit 2010. Ook de vorige week gestarte demonstratie Cultuur in actie!, die pleit voor meer geld voor de sector, geeft een overtuigend beeld van volkomen gebrek aan cultuurbesef.

Het lijkt dus onverantwoord om in de huidige crisis, die de noodzaak doet voelen het cultuurlandschap in Nederland opnieuw te beoordelen en op zoek te gaan naar wat werkelijk van inhoudelijk belang is, de categorie ‘nieuwe kunst’ op de ‘reguliere manier’ met overheidssteun overeind te houden.

Gebrek aan transparantie

Het Mondriaanfonds kostte in de periode 2017-2020 ruim 26 miljoen euro. Daarvan ging 12.617.313 euro naar nieuwe ‘beeldende’ kunst: talentontwikkeling, opdrachten, internatio­nale presentaties, stimulering van de markt, commissiekosten. Deze nieuwe kunst bestaat grotendeels uit ‘concept art’, waarvoor geen enkel artistiek talent nodig is, die nergens aan bijdraagt en waarvoor geen criteria bestaan.

Het Fonds Podiumkunsten (FPK) laat een ander beeld zien. Dat fonds ondersteunt zowel structureel de bestaande podiumorganisaties als de ontwikkeling van nieuwe podiumkunsten. Het FPK ontving in de periode 2017-2020 een ­bedrag van 261,6 miljoen euro. Als daarvan de ‘apparaatskosten’ worden afgetrokken, blijft er 253,7 miljoen over.

Het FPK maakt geen onderscheid tussen entertainment en serieuze kunst; alles wordt op één hoop gegooid, zodat onmogelijk is te zien hoeveel geld er gaat naar nieuwe ‘serieuze’ producties. Dit betekent dat alle toekenningsbeslissingen door de adviescommissies nattevingerwerk zijn, zonder enige criteria en geheel bepaald worden door de persoonlijke belangen en smaak van de commissieleden. Het grootste deel van het geld verdwijnt zo in de afval­emmer van onzinnigheden.

Een en ander blijkt uit het jaarverslag van het FPK, dat een labyrint van quasi-uitgewerkte details en regelingen laat zien waar overheidsambtenaren dol op zijn, omdat dit de indruk wekt dat ­alles goed ‘onder controle’ is en het geld ‘goed besteed’.

Cultuurbureaucratie

Deze verfijnde voorgrond die de indruk van controle en ‘vastigheid’ moet verbeelden, heeft echter niets te maken met een normale kunstensector: in een subsidiecultuur loopt iedereen aan de leiband van het centraal uitgedeelde overheidsgeld en de willekeur van belangengroepen. Het is één groot excuus om van het ministerie enorme bedragen te ontvangen, waarvan de besteding nooit transparant kan zijn en waarbij geen criteria gehanteerd kunnen worden, alle grafieken en verfijnde rege­lingen ten spijt. Want die zijn gebakken lucht.

Het is bizar om de ondersteuning van nieuwe kunst onder te brengen in een geldverslindende centrale cultuurbureaucratie, die niet bij machte is ‘kwaliteit te controleren’ en structureel frauduleus is, waar geen criteria bestaan en waar geen transparantie is. Opheffing van beide fondsen zou een flink bedrag vrij­maken, dat kan worden besteed aan de zorg en het onderwijs, of aan orkesten die al ­vele jaren lijden onder onnodige bezuinigingen.

Bij een gedecentraliseerde subsidiëring van nieuwe kunst kan werkelijk zinvolle ondersteuning, terechtkomen waar die ­gerechtvaardigd is. Er zijn in allang concrete voorstellen in die richting ­gedaan, maar gevestigde belangen staken er een stokje voor.

John Borstlap is componist en auteur over ­culturele onderwerpen, onder meer in zijn boek The Classical ­Revolution.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden