Opinie

‘Genderkloof in de wetenschap verdwijnt niet vanzelf’

Een actieplan voor meer diversiteit in de wetenschap werd onlangs fors afgezwakt door de Tweede ­Kamer. Maar de argumenten ­waarmee dat gebeurde, zijn wankel, schrijven Michiel Kolman en ­Jojanneke van der Toorn.

Beeld Getty Images

De Tweede Kamer debatteerde onlangs over het door minister Ingrid van Engelshoven (D66) gepresenteerde Nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek. De minister wil daarmee verandering brengen in de weinig florissante positie die Nederland heeft op het gebied van diversiteit in wetenschap en onderzoek.

Zo heeft ons land het laagste percentage vrouwelijke onderzoekers van alle Europese lidstaten, zo’n 25 procent. Een verkenning door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) concludeert bovendien dat Nederland relatief slecht scoort op de ervaren inclusiviteit in de wetenschap.

Deeltijdwerken

Genoeg aanleiding voor een actieplan, zou je zeggen. Maar het Kamerdebat en de daarop­volgende stemmingen liepen slecht af voor de minister, die haar plan door een reeks kritische moties afgezwakt zag worden. Met haar acti­vistische houding zou ze van mensen cijfertjes maken: studenten en docenten moeten we toch beoordelen op wat ze kunnen, en niet op wie ze zijn?

Maar dit misschien wel meestgebruikte argument tegen het aanjagen van diversiteit geeft een verkeerde voorstelling van de keuzes die in het debat op tafel liggen. De wens voor meer diversiteit en inclusie in de wetenschap is er niet op gericht de meritocratische beginselen van kunde en verdienste af te breken. Het is juist een wens die deze idealen bij uitstek ­ondersteunt, en dat is hard nodig. Het valt namelijk te betwijfelen in hoeverre de zo fel verdedigde meritocratie op dit moment realiteit is.

Die twijfel werd onlangs onderstreept door de jaarlijkse monitor van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH). Hoewel het merendeel van de afstudeerders aan Nederlandse universiteiten vrouw is, daalt dat percentage snel met elke stap op de wetenschap­pelijke carrièreladder. 43 procent van de promovendi, 41 procent van de universitair ­docenten, 29 procent van de universitair hoofddocenten en 24 procent van de hoogleraren is vrouw. Deeltijdwerken is geen verklaring voor dit beeld: dat doen vrouwelijke wetenschappers nauwelijks meer dan mannelijke collega’s.

Mede door inspanningen van universiteiten is de genderkloof de laatste jaren verkleind. Maar de komende decennia zal die, vermoedelijk net als de loonkloof, niet worden gedicht. Hoe dat komt? Waarschijnlijk niet door al die zorgvuldig verdeelde kansen. Onderzoek uit de sociale psychologie laat al geruime tijd zien: het lukt ons simpelweg niet om mensen alleen op kwaliteit te beoordelen.

Om meer vat te krijgen op dit soort ongelijkheid is nieuwe kennis cruciaal. Zo bleek uit ­cijfers van wetenschappelijk uitgever Elsevier dat de coronacrisis vrouwelijke wetenschappers negatief beïnvloedt. Het aantal ingediende wetenschappelijke artikelen steeg enorm, maar vrouwelijke wetenschappers blijven tijdens de pandemie achter bij mannelijke collega’s. Een ongelijke verdeling van zorgtaken tijdens het thuiswerken is een mogelijke verklaring volgens de onderzoekers, die waarschuwen voor de langetermijngevolgen van de corona-achterstand. Minder publicaties betekenen namelijk minder toekomstige loopbaankansen voor vrouwelijke wetenschappers.

Gemiste kans

Informatie als deze is belangrijk, maar biedt slechts zicht op een klein deel van het vraagstuk. Een goed beeld van diversiteit en inclusie in de Nederlandse wetenschap ontbreekt. Op de positie van studenten en medewerkers met een migratieachtergrond, uit de lhbt-gemeenschap of met een beperking is nauwelijks zicht. Onder meer Duitsland en Noorwegen richtten landelijke kenniscentra in om diversiteit en ­inclusie in brede zin te onderzoeken.

De minister zag de Nederlandse achterstand en stelt in haar actieplan voor een dergelijk kenniscentrum in te richten. Een Kamermotie zegt dat initiatief nu de wacht aan – het moet maar eens afgelopen zijn met de ongelukkige neiging ‘lijstjes’ over mensen bij te houden. Een gemiste kans, want zo’n centrum kan expertises van verschillende universiteiten bundelen en adviseren over een meer op feiten gebaseerde aanpak. Helaas bleek ook hier de bekendste paradox uit het debat een sta-in-de-weg. Inzetten op kennis en monitoring wordt gezien als een bedreiging voor het meritocratisch ideaal.

Dit soort zorgen wordt hoogstwaarschijnlijk met goede bedoelingen geuit. Iedereen is het erover eens dat mensen moeten worden beoordeeld op basis van wat ze kunnen, pleitbezorgers van diversiteit vooropgesteld. Laten we ­alleen niet doen alsof een actieplan voor diversiteit en inclusie daar afbreuk aan doet. Voor­lopig is er maar één conclusie mogelijk: de meritocratie die zo fel wordt verdedigd, is eerder een toekomstbeeld dan de realiteit. En stevig onderhoud is nodig om die toekomst dichterbij te brengen.

Jojanneke van der Toorn is bijzonder hoogleraar inclusie van lhbt-werknemers aan de Universiteit Leiden en universitair hoofddocent Sociale en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Utrecht.Beeld Ed van Rijswijk
Michiel Kolman is senior VP bij Elsevier, covoorzitter van Workplace Pride en Presidential Envoy D&I bij de International ­Publishers Association (IPA).Beeld Ed van Rijswijk
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden