Theodor Holman. Beeld Artur Krynicki
Theodor Holman.Beeld Artur Krynicki

Geluk kan zo verdomde droevig maken, maar wie begrijpt dat?

PlusTheodor Holman

Er is een nieuw poesje gearriveerd.

De kleinkinderen willen de wolkige zachtheid aan hun wangen voelen, maar zodra poesje kan, verdwijnt hij onder de kast.

“Ga je over hem schrijven?” vraagt mijn dochter.

Ik schud mijn hoofd.

“Maar als het poesje nu zou sterven dan denk ik dat je onmiddellijk je laptop openklapt voor wat aandoenlijke woorden.”

“Hoe bedoel je?” vraag ik, “bedoel je dit onaardig, of…”

“Nee, maar jij kan niet tegen geluk.”

Ondertussen proberen de kleinkinderen zichzelf onder de kast te wurmen om het nieuwe poesje te aaien.

“Inderdaad,” antwoord ik, “huiselijk geluk benauwt me.”

“Maar er zijn gezinnen waar het voorkomt, pap.”

“Ben ik nu in zo’n gezin?”

“Wat denk je zelf, pap?”

We gaan er verder niet op door. Geluk ligt gevoelig tussen haar en mij. Ikzelf denk dat ik haar vroeger, ten tijde van mijn egocentrische depressies, tekort heb gedaan; schaamte is wat rest over de gedane zaken die geen keer nemen.

“Opa, kan jij poesje even onder de kast vandaan halen?”

Kinderwensen zijn eigenlijk onweerstaanbaar.

“Laat hem lekker zitten. Hij moet wennen.”

Het stelt ze teleur.

Ik zit op de bank. Geluk kan zo verdomde droevig maken, maar wie begrijpt dat? Alleen ik, denk ik.

Ik staar in een verleden dat schrijnt. In mijn ouderlijk huis heerste het karige geluk van het zwijgen over het ongeluk.

“Opa?” hoor ik opeens. Het is Bloem. Ze draait mijn gezicht naar haar toe. “Waarom kijk je als een monster?”

“Hoe kijk ik dan?”

Ze trekt inderdaad het gezicht van een eng beest.

“Binnen in opa woont een monster. Een heel gevaarlijk monster.”

“Niet.”

“Wel.”

“Waarom woont dat monster daar?”

“Hij kon geen huis vinden. Hij mocht bij niemand wonen. En nou woont hij in mij.”

“Niet!”

“Wel.”

Ondertussen is het poesje onder de kast vandaan gekropen. Alsof hij mijn woorden heeft gehoord en iets wil onderzoeken. En opeens gaat hij, tot verbazing van mijn kleindochter, op mijn schoot zitten.

“Hij zoekt het monster,” zeg ik.

“Waarom?”

“Hij wil daar vriendjes mee worden.”

“Waarom?”

“Hij heeft nog geen vriendjes.”

Koning wil ook het poesje aaien dat nog steeds op mijn schoot zit.

Poesje laat het zich even welgevallen waarna hij van mijn schoot springt en zich weer onder de kast verbergt.

Even later zit ik weer alleen op de bank. Het monster in mij wil ook geaaid worden.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden