PlusOm de wereld in 800 woorden

Geen Benidorm maar de camping in Lunteren. Willen we dat?

Eén kwestie, twee visies: de Amsterdamse blik en een mondiale kijk op de actualiteit. Deze week: hulp en ontwikkelingshulp zijn twee.

Max Pam (l) en Paul Brill.Beeld Artur Krynicki

Pam: ‘Keihard klonk ‘nee’’

In 1965 werd door het kabinet-Cals een post gecreëerd die officieel de minister voor Hulp aan Ontwikkelingslanden heette. Zes jaar later veranderde Biesheuvel I die naam in minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Met de nadruk op samenwerking, want men wilde af van het idee dat door R. Kipling was geformuleerd als The White Man’s Burden – de opdracht (of last) van de blanke man. Er was financiële hulp, maar die zou voortaan worden verstrekt op basis van gelijkwaardigheid.

Aanvankelijk wilde men 1 procent van het bruto binnenlands product (bbp) voor dit ministerie reserveren. Een mooi streven, hoewel nog lang niet te vergelijken met de 2,7 procent die de Verenigde Staten in 1947 uittrokken voor de Marshallhulp aan Europese landen. Niettemin leverde de ontwikkelingssamenwerking Nederland destijds de roem op ‘een gidsland’ te zijn. Complimenten van idealisme en altruïsme namen wij gaarne in ontvangst.

Theo Bot – de vader van Ben – was in 1965 de eerste minister op het departement. Daarna kwamen roemruchtige bewindslieden als Jan Pronk, Eegje Schoo en Eveline Herfkens. Maar zij bleven officieel minister zonder portefeuille en kregen bovendien te maken met de kritiek dat ontwikkelingshulp nauwelijks effectief werd besteed. Het aureool van gulheid verdampte en ondertussen daalde het bbp-percentage van 0,8 naar 0,65 procent. Om te benadrukken dat wij Nederlanders in de geest van het neoliberalisme er zelf ook aan moeten verdienen, runt Sigrid Kaag tegenwoordig als smaldeel op Buitenlandse Zaken de post minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Het was dan ook geen verrassing dat de Nederlandse regering, toen Italië en Spanje bij hun Europese partners aanklopten voor financiële hulp om de pandemie te bestrijden, aanvankelijk een keihard ‘nee’ liet horen. Geld weggeven zonder voorwaarden, dat doen wij nooit meer! Dat het hier niet ging om landbouwsubsidies of het terugdringen van staatsschulden, maar het neerslaan van een humanitaire ramp die duizenden levens kost, was men in Den Haag even uit het oog verloren. Het is waar dat ook in Nederland mensen sterven en dat ook wij onze sores hebben – met dank aan alle Brabantse carnavalsvierders – maar dat staat in geen verhouding met wat Italië en Spanje overkomt. Hulp aan Italië en Spanje in deze coronacrisis is uiteraard ook in het belang van Nederland en onder druk van de kritiek op onze calvinistische schraperigheid heeft premier Rutte gauw 1 miljard aangeboden voor een noodfonds.

Veel Nederlanders gaan op vakantie in Spanje en Italië of bezitten daar een tweede huis. Hand op de knip, grenzen dicht en in plaats van naar Benidorm of het Gardameer voortaan weer naar de camping in Lunteren. Willen we dat?

Brill: ‘Nu even geen ruzie’

De geschiedenis herhaalt zich nooit op identieke wijze, maar van het verleden kunnen we toch wel een beetje leren. De laatste grote internationale gezondheidscrisis was de Spaanse griepepidemie, die woedde van begin 1918 tot eind 1920 en naar schatting aan 50 miljoen mensen, zo’n 3 procent van de toenmalige wereldbevolking, het leven kostte.

De epidemie werd eerst verergerd door de oorlogsomstandigheden en vervolgens, toen de wapens zwegen, door de maatschappelijke en economische ontreddering die de Eerste Wereldoorlog teweeg had gebracht. Miljoenen mensen waren ontheemd, overheden functioneerden op halve kracht.

Er was nog een factor die bijdroeg aan de algehele misère: de enige mogendheid die stabiliteit had kunnen brengen en de weg naar herstel had kunnen banen, was eigenlijk afwezig op het wereldtoneel. Die mogendheid was de Verenigde Staten.

In een recent artikel voor The Washington Post memoreerde Robert Kagan dat de VS na afloop van WO I rijker en sterker was dan alle andere grote mogendheden bij elkaar, maar het land raakte in de greep van het isolationisme. Het keerde alle internationale podia de rug toe en, niet minder schadelijk, legde hoge tarieven op aan buitenlandse import, wat ertoe leidde dat andere landen hetzelfde gingen doen.

Het is een fundamenteel verschil met de koers die de VS na de Tweede Wereldoorlog volgde. Toen achtte Washington zich wel verantwoordelijk voor wat er elders in de wereld gebeurde en deed het een bijzondere inspanning voor het economisch herstel van met name (West-)Europa, dat onder Amerikaanse paraplu kon beginnen aan een lange periode van vrede en welvaart.

De Amerikaanse animo voor het dragen van mondiale verantwoordelijkheid begon al af te kalven onder president Obama en is inmiddels bijna gezakt naar het nulpunt. De regering-Trump mist de politieke wil en de morele impuls om een leidende rol te spelen in een internationale crisis. Ze heeft bovendien de handen vol aan de eigen coronasores, die door het Witte Huis veel te lang zijn miskend.

Deze geopolitieke kentering werpt een nieuw licht op de waarde van de EU. Ik ben bepaald geen fan van het circus-Timmermans met zijn opgeblazen aspiraties, maar de EU is nu eenmaal een zeldzaam institutioneel baken in een woelige zee en met Poetin, Xi Jinping en Erdogan als kapers op de kust. Een ruziënde en desintegrerende EU kunnen we nu missen als kiespijn.

Alleen al op grond van deze politieke overweging had Den Haag meteen een royalere houding tegenover Italië en Spanje moeten aannemen. De beproefde rol van strenge rekenmeester kan later met goed fatsoen worden hervat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden