Opinie

'Geef ruimte aan De Appel om sprankelende kunst te maken'

De Appel sloot eind december de deuren op de Prins Hendrikkade. Bijna gelijktijdig las Jan Pieter Ekker de biografie van Marina Abramovic, waarin het kunstencentrum een belangrijke rol speelt.

Marina Abramovic in de legendarische, bloedige performance Thomas Lips, die ze met Ulay in 1975 ook in De Appel brachtBeeld Marina Abramovic

'Op mijn 29ste verjaardag, 30 november 1975, belandde er een brief in de grote houten postbus bij mijn moeder thuis,' schrijft de wereldvermaarde performancekunstenaar Marina Abramovic in haar vermakelijke biografie Walk Through Walls. 'Het was een uitnodiging van galerie De Appel in Amsterdam, ze vroegen me of ik een performance wilde doen in een Nederlands tv-programma getiteld Beeldspraak.'

Zo'n uitnodiging was niet gebruikelijk in die tijd, vervolgt Abramovic. Ook toen al werd de kunstwereld gedreven door geld, en performancekunst was niet iets wat je kon verkopen.

Een soort visionair
'Maar De Appel werd gerund door Wies Smals en die vrouw was een soort visionair. Ze was de eerste galeriehouder in Europa die kunstenaars als Vito Acconci, Gina Pane, Chris Burden en James Lee Byars uitnodigde voor performances. En ze werd gesubsidieerd door de Nederlandse overheid (net als het televisieprogramma), dus geld speelde geen rol.'

De Appel stuurde haar een vliegticket, Abramovic vloog naar Amsterdam. Smals kwam haar van het vliegveld halen met een Duitse kunstenaar die zichzelf Ulay noemde. De rest is, zoals dat heet, geschiedenis.

Ulay hielp haar bij haar legendarische, bloedige performance Thomas Lips; sindsdien vormden ze het innigste kunstenaarskoppel ter wereld, dat tussen 1976 en 1988 in Amsterdam zijn internationale faam verwierf (ze eindigden overigens in 2015 voor de rechtbank Amsterdam).
Tijden veranderen.

Zondagnamiddag
Ik las Abramovic' loftuitingen op het Nederlandse subsidiestelsel, De Appel en Smals daags nadat ik op een gure zondagnamiddag in december De Appel Timeline: 40+ Years of Risk had bezocht, de laatste tentoonstelling van De Appel. Althans, de laatste tentoonstelling op de Prins Hendrikkade, waar het centrum voor hedendaagse kunst na omzwervingen door de hele stad (Brouwersgracht, Prinseneiland, Nieuwe Spiegelstraat, Eerste ­Jacob van Campenstraat) in 2012 was terechtgekomen.

Er stonden lange tafels met lange lijsten met de ruim tweeduizend tentoonstellingen, performances en andere activiteiten die De ­Appel sinds 1975 had gerealiseerd, geïnitieerd, georganiseerd en geprogrammeerd; aan de muren hingen uitgeprinte A4'tjes als armoedig bewijs, in de hal stonden hoge stapels oude catalogi die weg mochten voor een prikkie.

Want De Appel wordt niet langer gesubsidieerd door de Nederlandse overheid. Waar de instelling in het vorige Kunstenplan nog 5 ton per jaar kreeg overgemaakt, moet De Appel - de enige Amsterdamse presentatieruimte die een opleidingstraject biedt voor curatoren - het nu doen met 'slechts' 4 ton van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Geld speelt nu wel degelijk een rol.

Nieuwe fase
De tijdlijn in De Appel moest een nieuwe fase van de organisatie inluiden. De tentoonstelling was, aldus de nieuwe directeur Niels Van Tomme, een onvermijdelijk einde dat een nieuw begin markeert.

Jan Pieter Ekker: chef van de redactie kunst & media van Het ParoolBeeld Linda Stulic

Dat was nodig ook. Als de tijdlijn één ding onderstreepte, was het de roemruchte geschiedenis van De Appel: niet alleen Acconci, Pane, Burden, Byars en Abramovic waren er in de beginjaren te zien, maar ook kunstenaars als Bruce Nauman, Laurie Anderson, Joseph Beuys en Nan Hoover.

Maar de laatste jaren was De Appel een wat verweesde, marginale plek geworden; een gesloten en naar binnen gekeerd bolwerk waar kunstenaars muren optrokken, waardoor tentoonstellingsruimtes verdwenen. Wie niet eerder in De Appel was, had geen idee wat hij miste.

Een breed publiek
Het Appelbestuur stelde vorig jaar dat het geen punt is dat De Appel weinig bezoekers trekt ('Vincent van Gogh werd in zijn tijd ook niet gewaardeerd', aldus de inmiddels vertrokken bestuursvoorzitter), maar dat het wel de bedoeling is dat het, net als het Palais de Tokyo in Parijs, kunst van nu voor een breed publiek aantrekkelijk maakt. Maar hoe dan? Door nog verder te bezuinigen op het personeel? Door nog verder te bezuinigen op het tentoonstellingsbudget?

Het is een zegen dat de nieuwbakken Appel­directeur ook nu nog in mogelijkheden blijft denken, dat hij de crisis als kans ziet om de boel om te buigen.

Maar laten het Amsterdamse Fonds voor de Kunst en de Kunstraad, die ruim een jaar geleden nog voorstelden De Appel op te nemen in de Amsterdamse Basisinfrastructuur, hem dan ook faciliteren.
Met een geschikt pand op een bruisende locatie in het centrum en niet in de periferie. En met voldoende middelen om aanstormende, getalenteerde, spraakmakende kunstenaars het allerbeste podium te bieden. Om te experimenteren en sprankelende, het leven leuker makende kunst te maken, die zichzelf niet voortdurend hoeft te verdedigen.

Zodat de volgende Marina Abramovic snel een nieuwe lofzang op De Appel, Amsterdam en het Nederlandse culturele klimaat kan schrijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden