PlusColumn

Floortje kijken: een dag later zitten we in een klein vliegtuigje

James WorthyBeeld Agatha Nowicka

Geen enkel televisieprogramma kan zo diep mijn schedel inkruipen als Floortje Naar het Einde van de Wereld. Ik kijk ernaar en wil de grote koffer uit de gangkast halen. Drie enkele tickets boeken en mijn vrouw en kind verrassen.

"We gaan weg."

"Waar naartoe?"

"Naar het einde van de wereld."

Een dag later zitten we in een klein vliegtuigje. De piloot is een forse man. Hij bestuurt het vliegtuig met zijn buik. We vliegen over bergen die hoger zijn dan vier op elkaar gestapelde kerktorens. Die bergen zorgen ­ervoor dat we niet meer terug kunnen.

De landingsbaan is een voetbalveld. Er wonen ongeveer elf mensen in dit gebied. We kunnen wel voetballen, maar de tegenstander zal niet op komen dagen. Ik koop een ezel van een vrouw zonder tanden.

Ze wijst naar een paadje en zegt dat we negen uur alsmaar rechtdoor moeten lopen. En dat we bij de rivier linksaf moeten. Ze zegt dat er geen brug is, dus dat we onze broekspijpen maar gewoon moeten oprollen.

"Waar komen jullie eigenlijk vandaan?" vraagt ze terwijl ik bij haar afreken. De ezel kost een homp Goudse kaas. Ik zeg tegen de vrouw dat we van de andere kant van de wereld komen.

Onze zoon is vrolijk omdat hij een naam voor de ezel mag verzinnen. Hij twijfelt tussen Brandweerman Sam en Opa. Bij de rivier slaan we linksaf.Ons huis is een geel geschilderde zeecontainer. Ik geef de ezel een stuk kaas en bedank hem voor het dragen van onze koffer.

In de container staan drie stoelen, een tafel en in de hoek ligt een matras. Aan de muur hangt een poster van een festival. Het festival vond twintig jaar geleden plaats in het dorpje naast de landingsbaan.

Op het labeltje van het matras staat Morgedal. Dit matras is ooit in zo'n groot, blauw gebouw met gele letters op de zijkanten gekocht. Ik bijt het labeltje van het matras af en spuug het uit op de grond. We hebben Scandinavië helemaal niet meer nodig.

Nog in de eerste week word ik door een insect gebeten. Mijn been zwelt op en mijn ontlasting is zo dun dat ik erdoorheen kan kijken. Maar het dichtstbijzijnde
ziekenhuis is drie dagen lopen. Mijn vrouw plukt bloemen voor me die ik op moet eten.

In de avond maken we ruzie in het licht van twee citronellakaarsen.
"Ik had die koffer niet uit de gangkast moeten pakken. Wie verhuist er nou naar een plek waar geen ziekenhuis is?" vraag ik.

"Niet doen, wij horen hier thuis. En juist omdat hier geen ziekenhuis is, zullen we gezonder gaan leven. Ziekenhuizen zijn prachtig, maar in feite is een ziekenhuis ook gewoon een prachtig excuus om ongezond te leven. Er is toch wel een ziekenhuis in de buurt. Hier hebben we geen vangnet."

We blijven.

Twee jaar later heb ik lang haar. Ik lijk op Jan Vayne, maar de rivier en de bomen weten niet wie Jan Vayne is. Mijn zoon spreekt vloeiend Spaans en hij is de beste visser van het einde van de wereld. Hij is de beste visser van ons drieën.

Ik heb al twee jaar geen foto gemaakt. En geen mail ontvangen. Mijn vrouw is zwanger. Ze begint steeds meer op de piloot te lijken die ons hier heeft gebracht. Ze bestuurt onze toekomst met haar buik.

Als het een meisje wordt, noemen we haar Floortje. Gisteren hebben we de ezel begraven.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden