PlusFemke van der Laan

Fijn hoe ik niet alleen onzichtbaar, maar ook onhoorbaar was

null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Het waait hard. Ik sta voor de pinautomaat. Ik ben niet de enige. Er is een wachtende voor me en na mij zijn er nog twee die geld uit de muur willen halen. Een man is aan het pinnen. Ik denk dat hij bijna klaar is. Hij wiebelt, staat om beurten op zijn hakken en zijn tenen, zijn handen houdt hij niet langer bij de toetsen.

We staan in een rijtje, allemaal, maar wel naast elkaar, dwars over de stoep. Ik moet aan dieren denken, aan vee, koeien, en aan hoe die, allemaal, in een weiland hun kont naar de wind keren, hun koppen in de luwte houden.

Ik zou best andersom willen staan, mijn gezicht in de wind, mijn haren niet langer voor mijn ogen geblazen, een hoofd dat wakker wordt gewaaid, maar niet als enige.

Naast me staat een vrouw. Haar haren zijn te kort om in haar gezicht geblazen te worden. Ze zegt iets. Ik zie wat bewegen onder haar mondkapje, haar mond, haar kaak, maar ik kan haar niet verstaan.

Gisterenochtend waaide het ook. Ik was gaan sporten, buiten, in het donker. De wind overstemde mijn gehijg. Ik vond het fijn hoe ik, in de vroege ochtend, in de stad, niet alleen onzichtbaar, maar ook onhoorbaar was. Vanmorgen werd ik ver voor de wekker mijn bed uit geblazen. De wind gierde. Langs mijn raam. Of ertegenaan. Ik had mijn oor in het kussen geduwd, mijn dekbed vastgehouden over mijn gezicht, over mijn andere oor, maar de wind werd niet onhoorbaar. Ik vond het allang niet fijn meer.

Ik kijk de vrouw vragend aan. Zij mij op haar beurt ook.

“Sorry, ik verstond je niet.”

De vrouw is even stil. “Ik zei ook niets,” zegt ze dan.

Ik zou zweren van wel. De vrouw kijkt me nog steeds aan. Ik laat het mijn gezicht zeggen: ik zou zweren van wel. Dan fluistert ze, een beetje opzij, schuin met de wind mee: “Ik had een liedje in mijn hoofd. Ik playbackte.” Ze raakt even met haar vinger het touwtje van haar mondkapje aan. “Ik wist niet dat je dat kon zien.”

Ik zie dat ze zich een beetje schaamt en lach naar haar.

Ik wil voorstellen dat ze doorgaat, met playbacken, of zingen, liever nog, en dat ik me omdraai en met mijn gezicht in de wind ga staan, mijn kop uit de luwte, als enige, maar de man is klaar met pinnen en de rij schuift op, zijwaarts, en ik lach nog maar een keer en zeg alleen maar: “Leuk.”

Ik zie dat ze glimlacht, bij de touwtjes, en alvast haar pas tevoorschijn haalt.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden