null Beeld Artur Krynicki
Beeld Artur Krynicki

Fietsend de avondklok in, zonder omvallen

PlusFemke van der Laan

Het is avond. Al een tijdje. Iedereen is onderweg naar huis. Of onderweg naar een binnen, een niet-buiten. Ik ook, samen met de jongste. We fietsen door de stad, van noord naar zuid en een beetje opzij, naar waar we wonen. Het is druk op straat. Er komen ons mensen tegemoet die onderweg zijn van zuid naar noord en een beetje opzij, we worden ingehaald door mensen die onze kant op gaan, in ieder geval voor een tijdje.

Er hangt haast in de lucht. We werden net opzij getoeterd door een man in een auto, er wordt op trappers gestaan, iedereen rijdt door rood. Maar dat is altijd zo. Het rood, de trappers, de auto. Toch voelt het anders nu. De jongste merkt het ook.

“Iedereen heeft haast.”

“Ja.”

“Komen we op tijd?”

“Ja.”

Wij fietsen ook snel. Maar niet de hele tijd. Het is alsof we het telkens vergeten. De jongste gaat vanzelf steeds een beetje langzamer fietsen. Ik volg, ga ook langzamer, om weer naast hem te komen, maar niet lang daarna zie ik toch alleen weer zijn voorband, raakt hij weer achterop, zodat ik weer langzamer ga, ook vanzelf, tot ik merk dat we zo goed als stil staan, bijna omvallen door het gebrek aan snelheid.

“Ik val bijna om.”

Hij zegt sorry. Ik zeg dat het niet geeft. Dan gaan we weer sneller, in ieder geval voor een tijdje.

We hebben het over vroeger, de vroeger van voor zijn tijd, de vroeger van toen ik zo oud was als hij, en over wie het beter heeft getroffen, ik toen of hij nu. Hij denkt hij. Hij denkt aan wat er toen allemaal was en kon en mocht, maakt zich een voorstelling van mijn leven, schat in dat het nu leuker is, dat er nu meer is en kan en mag.

Ik kijk opzij om te zien of hij het meent. Naast me rolt een voorband over de klinkers. Ik denk aan school en sport en toneel en vriendjes en een avondklok.

“Zelfs nu?” vraag ik.

Hij denkt even na.

“Nu telt niet.”

Ik denk ook aan vroeger, aan de vroeger van toen ik zo oud was als hij en aan hoe ik toen achteropraakte, mijn vaders lange benen niet bij kon houden, hoe ik dan vroeg of het langzamer kon, wat gebeurde, voor een tijdje. Tot ik weer een achterband zag. Of een paar hielen.

Ik stop met trappen tot zijn hoofd weer op mijn hoogte is. Ik vind dat nu ook niet telt.

We komen thuis zonder om te vallen. Er zijn nog acht minuten over.

Femke van der Laan is journalist. Wekelijks schrijft ze een column voor Het Parool. Lees al haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden