Beeld Artur Krynicki

Fietsen is tegennatuurlijk, maar leg dat maar eens uit

Nico Dijkshoorn

Fietsen is tegennatuurlijk, maar leg dat maar eens uit aan iemand die drie dagen lang, verkleed als Edammer kaas, in een tentje bij bocht 14 ligt om Tom Dumoulin hollend en schreeuwend aan te moedigen.

Toen ik mijn eerste fiets kreeg heb ik gehuild. Niet van vreugde. Het was de verkeerde. Het bekende tafereel: kind in bed, cadeaupapier op de lakens, pappa moet even pissen en dan de grote verrassing: er wordt een fiets de slaap­kamer binnen gereden.

Ik zag het meteen. Tweedehands. Ik wist wat dat betekende: ik moest op de verkeerde fiets met mijn vriendjes naar het zwembad rijden. Ze deden net alsof ik op een normale mensenfiets reed, maar bij het zwembad zou er eentje zeggen: “Je vindt hem wel makkelijk terug met dat gele bananenzadel.”

De laatste veertig jaar heb ik vloekend gefietst. Rechter trapper omlaag: ‘kut.’ Linkertrapper omlaag: ‘wind.’ Twee keer fietste ik van Amstelveen naar de lerarenopleiding in Amsterdam. Zo ontdekte ik het principe van de uitgestelde zweetaanval.

Klas inlopen, niks aan de hand, alles onder controle, net doen alsof ik leraar wil worden, hand onder kin, luisteren naar de leraar en dan opeens een plas zweet om mijn elleboog. Binnen vijf minuten zag ik eruit als een gedrogeerde zeehond.

Vlak voor de Tour de France wil ik niet alle pret bederven. Ik heb na zitten denken over fijne fietsdingen en die zijn er wel degelijk. Verlangen bijvoorbeeld. Als er tijdens een etappe negentien wielrenners over het asfalt schuren, denk ik aan de wondjes op hun knie. Daar komt een korstje op.

Ik ben dol op kniekorstjes. Het fijnst zijn ze als je er met je nagel op kunt tikken. De korstliefhebbers weten waar ik het over heb. Als je het een beetje handig aanpakt en het korstje af en toe een beetje lostrekt van de huid, dan kan je makkelijk driekwart jaar plezier beleven aan je knie.

De terminologie van wielrenners vind ik mooi. Tot nu toe durfde ik het niet, maar ooit wil ik tussen vier wielrenners gaan staan, beetje luisteren en dan zeggen: “Maar als je met je kneek over je botten galt, dan heb je wel meteen het slijm in je oogbal hoor.” Ik gok dat ze dan gewoon ja knikken.

Mijn prettigste fietsmoment tot nu toe: een alleenstaande vrouw in een heel leuke jurk die besluit om plastic bloemen om haar stuur te doen. De buren kijken toe en zeggen: het gaat weer ietsje beter met haar. Daarna het wegrijden en het zwaaien.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in. Reageren? N.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden