James Worthy Beeld Agata Nowicka

Feis werd doodgeschoten toen hij een ruzie probeerde te sussen

Plus James Worthy

Ik loop een sportschoenenzaak in Rotterdam binnen en hoor zijn muziek. Een stem als een sleepboot.

Een dikke twaalf jaar geleden mocht ik hem interviewen voor een hiphopwebsite. Het voelde echt als ­mogen. Ik werd uitbetaald in platenbonnen, maar die dag had ik het ook voor niets gedaan.

Hij zat aan een tafeltje van een Surinaams eethuis. Voor hem stond een plastic bekertje waarin dure whisky zat. Ik gaf hem een hand, maar hij maakte er een knuffel van.

Een paar maanden voor ons interview had ik zijn stem voor het eerst gehoord. Het was op de Rotterdam-­remix van U-Niq. ‘In je gezicht alsof ik aandacht zoek.’ Mijn liefde voor Feis begon met die zin. In je gezicht alsof ik aandacht zoek. Mijn aandacht was nog nooit zo makkelijk vindbaar geweest.

Nog voor ik mijn eerste vraag had gesteld, schonk hij wat whisky voor me in. Hij kon zien dat ik zenuwachtig was. Hij dacht dat het kwam omdat ik een Amsterdammer in Rotterdam was, maar het kwam door hem. Hij zei dat ik veilig was en vroeg wat ik wilde eten. Niet veel later stond er een broodje kip voor mijn neus. Ik smeerde twee lepels madame-jeanettepiccalilly op de ­bovenkant van het broodje, omdat ik hem wilde imponeren.

In de sportschoenenzaak vraag ik of ze hem missen. Feis werd op 1 januari doodgeschoten toen hij een ruzie probeerde te sussen. De jongen die achter de kassa staat, heeft het er nog steeds moeilijk mee. “Feis was Rotterdam. Hard van buiten, gebroken van binnen,” zegt hij, terwijl hij een basketbalschoen vetert. “In Rotterdam dromen we over de dingen die we willen doen, terwijl we de dingen doen die we niet willen doen. ­Begrijp je? En we klagen niet. Feis was ook zo. Hij werkte in de dierentuin, zodat hij kon blijven rappen. Hij zeemde het glas van de aquariums. Dat is prachtig, toch? Dankzij hem konden de kinderen de vissen goed zien. En als hij rapte, kon de luisteraar het leven duidelijk zien. Het echte leven. De tegenslagen. En de hoop. Feis was glashelder en toch ongepolijst. Een schitterende tegenstrijdigheid. Net als deze stad,” vervolgt hij. Ik knik en denk terug aan het interview.

Na het broodje kip liet hij mij zijn buurt zien. Als een grote broer liep hij naast me. Ik stelde vragen en zag de antwoorden. De buurt was ongelofelijk trots op hem, maar hij was nog trotser op de buurt. Kleine jongens renden op hem af en gaven hem een hand. Ze wilden de vingers voelen waarmee Feis zijn teksten schreef.

‘Ik droomde effe dat ik droomde effe.’ Het is de Nederlandse taal op zijn allermooist. Je hoort het hem zeggen. Met een zeem in zijn hand in het Oceanium van Diergaarde Blijdorp. Dat hese stemgeluid. Ik droomde effe dat ik droomde effe. Feis rapte het levenslied. Ik hoopte dat ik droomde effe toen hij het leven liet. Hij probeerde een ruzie te sussen. Want dat is wat grote broers doen, ze sussen dingen.

Ik verlaat de sportschoenenzaak en loop door Rotterdam. Ik kijk naar de lucht. Nergens zijn strepen te ­bekennen.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden