Femke van der LaanBeeld Artur Krynicki

Even zie ik mijn broer zitten, vroeger. Hij kon kraanvogels maken

PlusFemke van der Laan

We pakken in. Het is bijna tijd om naar huis te gaan. Het is de laatste dag. We hebben ons de afgelopen twee weken afgevraagd of we hier zouden kunnen wonen. Dat is wat we doen, als we ergens anders zijn. Dan proberen we ons in te denken hoe het zou zijn, leven op een andere plek. Ver weg van alles. En iedereen. Daarna pakken we weer in. Om terug te gaan naar huis. Naar alles. En iedereen.

Er gaat hier geen bus.

We vouwen ieder onze eigen kleren op, op ons eigen bed. Eerst hadden ze alles maar zo’n beetje in tassen en koffers geduwd. Gepropt. Door elkaar. Toen had ik gezegd dat het netjes moest, dat het anders niet zou passen. Echt niet. Er had een zucht geklonken, een ‘echt wel’, maar daarna waren ze opnieuw begonnen. Waren ze gaan vouwen. Alles. Een voor een. Ik ook.

Het is stil. Soms schuift er een voet over de grond, een stapje van het bed af of er juist naartoe, om even te kijken wat het wordt, maar verder maken we geen geluid. Af en toe stop ik, loop ik langs, kijk ik wat ze ervan maken. Met mijn handen op mijn rug, in elkaar gevouwen, zodat ik ze laat.

Het is alsof het papier is wat ze vouwen, alsof de bedden tafels zijn en hun kledingstukken de blaadjes. Alles gaat eerst ­doormidden. En daarna nog een keer door­midden. Dan worden er hoeken teruggevouwen, werkjes omgedraaid, aan punten getrokken. Alsof ze vliegtuigjes vouwen. Bloemen. Een kikker die kan springen als je op de achterkant duwt.

Even zie ik mijn broer zitten, vroeger, aan tafel. Hij kon kraanvogels maken. En een vierkantje dat een kubus werd als je er lucht in blies. “Origami,” zei hij. Het was Japans. Ik was jaloers. Ik kon alleen maar bootjes. En vliegtuigjes. Maar die vielen altijd naar beneden zodra ik ze losliet, dus deed ik alleen maar bootjes. Steeds kleinere bootjes, dat wel. Ik begon met A4’tjes, maar al snel maakte ik bootjes van een centimeter of twee. Dat is wat ik kon. Heel kleine bootjes vouwen.

De kikkers en de bloemen gaan de koffers in. Kraanvogels erbovenop. Ik hoor de ritsen dichtgaan. Het past. Ik kijk naar mijn bed, naar mijn stapel, die alleen maar uit kleren bestaat. Ik pak een rok van onderop, vouw hem doormidden, en nog een keer doormidden. Dan vouw ik de hoeken terug, draai de rok om en trek de punten naar buiten.

Als ik er lucht in blaas, is het een bus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden