Column

Er lag een jongetje op het zebrapad

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

Er lag een jongetje op het zebrapad. De scooter denderde over zijn lijf. Zijn hoofd was op het asfalt gestuiterd zoals zijn voetbal even daarvoor op het pleintje deed. Toen werd alles stil. Tien seconden. Twintig. Met een schok opende hij zijn ogen en greep naar zijn horloge, waarmee hij in geval van nood kon bellen.

"Mámáaaaaa. Ik ben aangereden."

Er lag een jongetje op het zebrapad. Het was pal onder zijn huis. Zijn vader die in de keuken was, hoorde plotseling geschreeuw. Hij hoorde zo vaak kinderstemmen. Vreemd dat je onmiddellijk die van jouw eigen paniekerige kind herkent, zou hij later zeggen.

Een kilometer verderop stond zijn moeder op een housewarming. Ze drukte de telefoon tegen haar oor. Nog tijdens het geloei was ze de gloednieuwe trap afgedenderd. Ze wuifde, riep snel: "Niks aan de hand! Niks aan de hand! Maar ik ga even kijken." Waarom doen mensen dat? Bij voorbaat de angel er voor de omgeving uittrekken? Of was het haar eigen mantra? Niks aan de hand. Niks aan de hand.

Slalommend door de Damstraat kwam de woede. Weer een scooter. Vast zo'n klootzakje met een petje en een te grote bek. Een van de duizenden tirannen die middelvingerheffend door de stad scheuren, schijt aan God, gebod of jongetjes van acht die keurig eerst naar links kijken, dan naar rechts, dan weer naar links.

Ze had eens gelezen dat uitgerekend op zebrapaden de meeste aanrijdingen voorkomen. Omdat mensen zich veilig wanen. Maar wat had ze haar kind dan moeten leren? Ren lukraak over de straat als het je goeddunkt? Of blijf je hele leven aan de overkant staan? Hij was bijna negen. Ze liet juist de teugels wat vieren. Hield niet meer de halve dag zijn pols in haar knuist. Blijf bij me. Blijf weg van gevaar.

'Als ik hem in mijn poten krijg...' Natuurlijk was ze geen vechtersbaas. Maar als ze dat klerelijertje zo zou aantreffen. Ze stond niet voor zichzelf in.

Het klerelijertje bleek een meisje van zeventien. Het jongetje had keurig gekeken. Een fietser was voor hem gestopt. Toen hij die beleefd bedankte, knalde zij dwars over hem heen. Haar been lag in een verkeerde hoek op de stenen, terwijl ze almaar had geroepen: "Ga naar hem! Het is mijn schuld, het is mijn schuld." Tot ze werd afgevoerd naar het ziekenhuis.

De moeder van het jongetje reed de straat in. Twee politiewagens. Een web van rood-witte linten. Het rem­spoor dat de witte zebrastreep bezoedelde. Ze beukte haar fiets op de stoep en brulde zijn naam.

Daar zat hij, intens wit in de ziekenwagen met een teddybeer in zijn armen die hij van de ambulancebroeder had gekregen. Ze hield hem zo stevig vast dat ze beiden niet meer konden ademen.

Er lag een jongetje op het zebrapad. Die nacht lag hij naast me in bed. Hij had alleen wat kneuzingen. Toch schrok ik elk uur wakker. En voelde zijn pols in mijn knuist.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden