Opinie

‘Er is te weinig tijd voor gedegen onderzoek naar rol Amsterdam bij slavernij’

De datum waarop Amsterdam excuses zal aanbieden voor haar rol in de slavernij staat al vast. Volgens Karwan Fatah-Black, universitair docent koloniale geschiedenis in Leiden, is er te weinig tijd voor écht goed onderzoek.

Een tekening uit eind 18de eeuw toont tot slaaf gemaakten die arriveren in Suriname. Beeld Getty Images

Vorige week donderdag debatteerde de Amsterdamse gemeenteraad over excuses voor het slavernijverleden. De datum voor dat excuus staat al vast: op 1 juli 2020. Dat is een politiek besluit, maar de wethouder wil dat aan de excuses een wetenschappelijk onderzoek voorafgaat. Van de VVD kwam – niet onterecht – het verwijt dat dit geen werkelijk onderzoek kan zijn. Als de gemeenteraad een onderzoek wil, moet het daarvoor tijd en geld vrijmaken.

Van links tot rechts blijkt er in de gemeenteraad weinig besef te zijn van wat een wetenschappelijk historisch onderzoek wel of niet kan betekenen voor de voorgenomen excuses. Tijdens het debat werd door de VVD een motie ingediend: er was twijfel over de samenstelling van de onderzoekscommissie.

Die commissie zou vooringenomen zijn, aangezien een van de leden, emeritus professor Gloria Wekker, zich had uitgesproken over het onderzoek door te stellen dat al duidelijk is waarvoor de gemeente zich moet verontschuldigen. Wekker heeft echter gewoon gelijk, in algemene zin kennen we de feiten al en haar vaststelling past bij de internationale consensus hierover onder historici en sociale wetenschappers.

Invuloefening

De Verenigde Naties riepen niet voor niets het decennium 2015-2024 uit tot decade for people of African descent: de slavernij en slavenhandel werken door in hedendaagse ongelijkheid en anti-zwart racisme. Binnen de door de wethouder gestelde termijn kunnen historici een op Amsterdam toegespitste uitwerking geven van die consensus, niet veel meer.

Het vermoeden van de VVD dat het in het voorgestelde onderzoek gaat om een ‘invuloefening’ is dus niet helemaal ongegrond, al was de naar politieke vervolging neigende motie onfris te noemen.

Het probleem is echter niet de samenstelling van de onderzoekscommissie of de politieke voorkeur van de leden van die commissie. Het probleem is dat de hele gemeenteraad, van links tot rechts, lijkt te denken dat binnen de vierenhalve maand tot de excuusdatum een gedegen onderzoek gedaan kan worden naar de specifieke Amsterdamse rol in de slavernij.

Afgelopen jaar publiceerde ik het boek Sociëteit van Suriname, over de organisatie waarmee Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw de slavenkolonie Suriname bestuurde. Vorige week verscheen in een wetenschappelijk tijdschrift een recensie van dat boek.

Recensent Gerhard de Kok was over het algemeen lovend, maar had twee belangrijke punten van kritiek: de financiële geschiedenis van de sociëteit was slechts voor één jaar uitgezocht en mijn schets van de rol van de directeuren in het bestuur (vaak Amsterdamse burgemeesters) was nog veel te oppervlakkig naar zijn smaak.

Dit zijn beide terechte opmerkingen, die iets zeggen over de stand van onze kennis en over de tijd die dergelijk onderzoek kost. Er zal nog veel meer onderzoek gedaan moeten worden om het plaatje compleet te krijgen.

Over de Amsterdamse rol in de afschaffing van de slavernij is een vergelijkbaar verhaal te vertellen. Het standaardwerk over de afschaffing werd in 1979 geschreven door J.P. Siwpersad. In dit gedegen onderzoek vinden we slechts korte passages over de rol van Amsterdamse handelaren in het vertragen van de afschaffing.

Citizen science

Als we echt willen weten hoe het zat, zal nieuw onderzoek naar de politieke geschiedenis moeten worden gedaan. Historische financiën en politieke koers zijn dan nog maar twee aspecten. Wie echt wil weten hoe deze geschiedenis doorwerkte, zal ook moeten onderzoeken hoe in Amsterdam is omgegaan met de nasleep van deze geschiedenis, op welke manier nazaten van slaven wel of niet een plek hebben gekregen in de samenleving en welke bijdrage is geleverd aan de verwerking van deze geschiedenis.

Dergelijk onderzoek zou zich niet moeten beperken tot gerenommeerde wetenschappers, maar men zou juist de kring van betrokken onderzoekers moeten verruimen. Dat kan bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een kenniscentrum waar citizen science-projecten mogelijk zijn.

In Rotterdam gunt de gemeenteraad de onderzoeksgroep wel de tijd om onderzoek te doen en zullen maar liefst drie boeken verschijnen over aspecten van het koloniaal en slavernijverleden van de stad.

Daar blijft echter juist het betrekken van de gemeenschap van nazaten achter, een stap die Amsterdam zou kunnen zetten. Excuses zijn primair een politiek besluit. Als de gemeenteraad echt wil weten hoe het zat, moeten tijd en geld voor onderzoek worden vrijgemaakt.

Karwan Fatah-Black is universitair docent koloniale geschiedenis aan de Universiteit Leiden.Beeld Jitske Schols
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden