James Worthy.Beeld Agata Nowicka

En toen gaf mijn vader hem een vliegende kopstoot

PlusJames Worthy

Op de dag dat het Engelse volk naar de stembus moet, blaast mijn vader zeventig kaarsjes uit. Het is een mooie dag. Mijn zoon heeft een tekening voor hem gemaakt. Op de tekening staat een huis. Er komt een wolk uit de schoorsteen. Het is dus warm binnen. Het huis heeft ook een grote tuin. In de tuin staat een boom. Op de bovenste tak zit een uil. Naast de boom staan twee mannen. De ene man is mijn zoon en de andere man is mijn vader. Ze wonen samen in het huis. In de verte staat een schuurtje. Daar woon ik. Ik ben niet boos op mijn zoon. Ik begrijp hem. Mijn vader is de leukste man die ik ken.

Om eerlijk te zijn had ik nooit gedacht dat hij de zeventig zou halen. Hij werkt in de haven en hij houdt van koekjes. In de haven is het gevaarlijk. Vroeger hielp ik hem af en toe als ik geld nodig had. Dan stonden we op grote hoogte de schoorsteen van een Albanees vrachtschip te schuren. Ik vond zijn werk gevaarlijk. Ook omdat ons gezin in die tijd vaak naar AT5 keek en daar kwamen bijna elke dag verhalen voorbij over ongevallen in de haven. Man valt twintig meter naar beneden. Man krijgt container op hoofd. Man geplet door boot.

Als ik overdag een ambulance hoor, denk ik nog altijd dat mijn vader in die ziekenwagen ligt met geplette benen en een schedelbasisfractuur vanwege het wegkoppen van een container.

En hij houdt dus van koekjes. Man gestikt in lange vingers. Ik zie de kop al in de krant staan. Maar hij is er nog. De man die me leerde boeren. De man die op de dag dat ik hoorde dat ik gezakt was naar me bleef kijken alsof ik wonderkind Laurent was. De man die me vier keer per week naar Sportpark Spieringhorn bracht, omdat ik de droom had om door Liverpool gescout te worden.

Op de presentatie van mijn tweede boek overhandigde ik het eerste exemplaar aan hem. En ik maakte toen een grapje. Iets over dat hij er nooit was in mijn jeugd. Het was een goed grapje en de zaal lachte, maar ik heb spijt van dat grapje. Hij was er altijd en hij is er nog steeds.

Als er brand uitbreekt in mijn huis, is hij de eerste die ik bel. Hij is mijn brandweer.

Toen ik twaalf was, gingen we een keer voetbalschoenen kopen op de Overtoom. Mijn vader parkeerde de auto op de Nassaukade. Iemand anders kwam aanrijden, stapte uit en schreeuwde dat we zijn plek hadden gepikt. Het was een jonge gozer. Fit. Mijn vader stapte uit en ik zette de radio harder. Die jongen stond daar met gebalde vuisten en mijn vader rende op hem af. En toen gaf mijn vader hem een vliegende kopstoot. Hij verdedigde onze plek. Die jongen liep gehavend weg, alsof er een container op zijn hoofd was gevallen.

Ik kijk naar de tekening van mijn zoon. De lucht is blauw en het gras groen. De zon is oranje en ik denk aan toen. Aan de man die er altijd was. De man die me leerde scheren. De man die pap voor me maakte in de winter. De man die een Super Nintendo voor me kocht toen ik heel ziek was. De man die alle mannen die Pieter heten, Peter noemt.

Ik kijk naar mijn vader en bel de krant.

Zoon geplet door vaderliefde.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden