Maarten Mol. Beeld Sjoukje Bierma
Maarten Mol.Beeld Sjoukje Bierma

Elke dag ga ik kijken of de Avant (lekke band) er nog staat

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Aan een lantaarnpaal bij de fietsbrug over de A10 staat al een paar weken een damesfiets.

Eenzame fietsen die aan lantaarnpalen of bomen zijn geketend, ik heb er een zwak voor.

Dat wil zeggen, ik houd ze in de gaten, en ben opgelucht als ik ze op een dag niet meer zie. Eindelijk opgehaald door de eigenaar. Al kan het ook dat de gemeente er een gemeentemedewerker op af heeft gestuurd met een grote, gemene betonschaar om de fiets los te knippen en in de achterbak van het gemeentevoertuig te gooien en af te voeren.

Laatst zag ik een jongen en een meisje (studenten) een fiets losmaken van de Ruud Krolbrug. Die had er al een tijd gestaan, gezien de verbaasde uitroep van het meisje: “Is dat míjn fiets? Ik had ’m bijna niet herkend.”

Die fiets aan de lantaarnpaal is een omafiets. Van het merk Avant.

Met een rek voorop en een Wittkopzadel.

Veel roest, groot slot. Platte voorband.

Ik kan dat niet. Een fiets zo lang ergens laten staan. Dan gaat het jeuken. Steeds dat stemmetje in mijn hoofd: je moet nog je fiets ophalen. Erfenis van een opvoeding. “Laten hangen? Dan ga je nu maar terug naar de voetbal om je trainingsjack op te halen.” In mijn fantasie gevolgd door: “Straks is ie door iemand gestolen. Het geld groeit me niet op de rug.”

Een paar dagen geleden zag ik de Avant in de regen tegen de lantaarnpaal leunen. Dat was een heel zielig gezicht.

Ik stel me zo voor dat de eigenaar van die Avant haar fiets – ik ga maar even van een haar uit – toch zal missen. Dat ze, als ze heeft besloten snel bij iemand langs te gaan en ze buiten staat, denkt: o ja, shit, kut, die fiets staat nog helemaal in Oost. Nou ja, laat maar, ik neem wel de tram. En dat de volgende dag ook doet, en de dag erna, en alle andere dagen, en dat ze langzaam transformeert in iemand die dan weken, maanden alles met het openbaar vervoer doet.

Dat de fiets ergens diep in haar geheugen zielig wegkwijnt. (Fok, die fiets, waar staat ie ook alweer… ah, daar is de 7.)

Ik ken zulke mensen. Een van mijn dochters bijvoorbeeld. (En dan sterk zijn en niet zelf die fiets voor haar gaan ophalen.) Ik heb ze, alsof de duvel ermee speelde, wel allebei in de eerste week dat ze op de middelbare school zaten, opgehaald met een lekke band. (De paniek in hun stemmen. “Hoe kom ik nou thuis?”) Dochter achterop, ik met een hand aan het stuur en aan de andere hand de fiets van de desbetreffende dochter meevoerend. (En zij vrolijk zingend achterop, ik heb ze meteen op een fietsenmaker dicht bij school gewezen.)

Elke dag ga ik kijken of de Avant er nog staat. Ik praat hardop tegen de fiets, zeg dat er wel snel iemand zal komen om haar weer mee te nemen. Geef een bemoedigend klopje op het zadel.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden