Roos Schlikker.Beeld Lin Woldendorp

Eindelijk zou mijn kind de geneugten van de poëzie leren kennen

PlusRoos Schlikker

Hoewel ik echt niet dagelijks uit romans citerend door onze woning sluip, kan ik er niet omheen dat ik Nederlands studeerde. Helaas komt die studie bijzonder weinig ter sprake. Niemand lijkt er boodschap aan te hebben dat ik weet wie Vasalis was of wat de Tachtigers maakten. Dat geeft niet, maar enige literaire interesse in mijn huishouden had ik leuk gevonden. Helaas, ik trouwde een Canadese dyslect die ik met gemak kan wijsmaken dat Willem ­Frederik Hermans ooit een wereldberoemde piraat met een houten been was en Jan Wolkers oprichter van Neerlands eerste knakworstenfabriek.

Toen ik kinderen kreeg, besloot ik hen te besmetten met het boekenvirus. Ik lees ze dagelijks voor en dan niet alleen uit Het kleine piemelboek (hoewel dat een hit is), maar ook uit steviger werk als Lampje van Annet Schaap (zo mooi dat ik er steeds bij huil) en natuurlijk Brief voor de koning. Hierdoor weet ik tenminste zeker dat mijn jongens iets geletterds mee krijgen.

Met poëzie lukt dat echter matig. Soms probeer ik het door keihard een van mijn lievelingsgedichten voor te dragen, te rappen desnoods. “Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht, ’t geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.” Verbijsterd kijken mijn huisgenoten me aan, terwijl ik mijn handen ten hemel hef: “Wat geeft het? In de koude voorjaarsnacht zingen de onsterfelijke nachtegalen!”

Gesnuif. “Ma. Je doet raar.”

“Tsk,” brom ik. “Met je rare piemelhaar.” Want in banale gedichten ben ik ook heel goed.

Toch heb ik liever dat hun poëziekennis verder reikt dan tatoeages in de categorie ‘Roses are red. My name is Dave. This poem makes no sense. Microwave’, geboortekaartjes met de uitroep: ‘Vingers en teen­tjes tellen? Eerst even bellen!’ of ‘Hi-ha-hondelul’ langs het voetbalveld.

Daarom plaats ik tegenwoordig strategisch gedichten in het huis. Een Bert Schierbeekkussensloop (‘Hoe als je je met zorgeloosheid kon omringen en dat dat je ruimte was’). Een koffiemok met de tekst ‘Mijn dakraam grenst aan het heelal,’ uit het gedicht Cirkels van Fetze Pijlman.

Een kaartje op het keukenprikbord met het allermooiste wat Joost Zwagerman ooit schreef: ‘Mijn lief, wees alsjeblieft heel lief voor mij, nu God mij denkelijk heeft uitgewist. Mijn lief, blijf alsjeblieft heel dicht bij mij. Misschien word ik door God gemist. Mijn lief, vertrouw ook nu op mij. Ik ben niet weg, God ademt mij. Mijn lief, wees alsjeblieft heel lief voor mij. Misschien heeft God Zich in mijn dood vergist.’

Al die poëzie moet zijn invloed hebben. Of niet? Deze week kwam ik een gedicht tegen dat mijn zoon op school moest maken. Het thema was kleur. Ha! Eindelijk zou hij de geneugten van de poëzie leren kennen, dacht ik nog. Tot ik zijn meesterwerk las. ‘Mijn loodzware rode boot is ook een beetje groen. Daarom geeft mijn vrouw mij soms een zoen. Ik heb een dikke hond, en mijn vrouw een witte kont. Ik haat groene groente, maar ja, de groeten.’

Het is te hopen dat ie nog lang niet naar de tattooshop gaat. 

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden