Roos Schlikker. Beeld Oof Verschuren

‘Eet dit,’ zeiden ze tegen mijn zoon. ‘Anders slaan we je dood’

Plus Roos Schlikker

Toen mijn oudste ’s middags hooghoudend en zingend (“Tadic on fire, nanananananana nanana nana”) richting voetbalveldje stuiterde, werd hij gestopt door drie gasten, zeker zes jaar ouder dan hij.

“Hé, jij.” Mijn zoon stond verward stil. “Wat is er?”

“Hier. Dit moet je eten. Anders gaan we je doodslaan.” Op de opengesperde hand van de jongen lag een fireball, zo’n heet snoepje dat voor je gevoel je ingewanden wegvreet. Althans, zo zag het eruit. Mijn zoon schudde zijn hoofd. “Dat wil ik niet.”

De jongens kwamen dichterbij tot hij helemaal ingesloten was. “Eet. Nu. Of anders…” Het handenwringen maakte een raar wrijfgeluid. Gesnuif kwam uit neuzen. Mijn kind keek snel om zich heen.

“En wat deed je?” vraag ik hem naar adem happend, terwijl hij bij het avondeten over het voorval vertelt.

“Toen heb ik die bal heel snel in mijn mond gedaan en ben weggerend. Ik had hem maar twee seconden op m’n tong en daarna heb ik hem meteen uitgespuugd! Het was inderdaad een fireball. Dat proefde ik. Geen drugs ofzo, hoor. Was dat goed, mama? Anders gingen ze me slaan. Mama? Heb ik het goed gedaan?”

Ik heb geen idee wat ik zeggen moet. Precies een dag daarvoor vertelde ik het jong nog over de oorlog. En hoe gevaarlijk het is je niet te verzetten tegen kwaad. ‘Een volk dat voor tirannen zwicht zal meer dan lijf en goed verliezen. Dan dooft het licht.’ Hij begreep de woorden van Van Randwijk heel goed.

Nu kijkt hij me vragend aan. Mijn vork hangt in de lucht, een vuurbal is in mijn buik ontploft. Kunnen ze wel? Rukkers. Een 9-jarige bedreigen. Een mannetje dat zich veilig waant. Met zijn school om de hoek. En het speelpleintje. Waar hij en zijn vriendjes het toekomstige Ajax zijn. Onze buurt, waarover we vaak verzuchten dat het net een dorp is. Een dorp waar iedereen elkaar kent en een beetje helpt.

Tegelijkertijd hoorde ik al drie keer over tieners die beroofd zijn van hun telefoon door figuren die om hen heen gingen staan en sisten dat ze alles van waarde moesten afgeven. Wat ze ook deden.

Verstandig, denk ik. Je kunt moeilijk anders. Toch schuurt het. Want hoeveel dreiging kan een stad verdragen? Kinderen worden overvallen. De burgemeester wordt online dood gewenst. Journalisten leven in safehouses. En woensdag gebeurde het allerergste: dreigers voegden de daad bij het woord. Derk Wiersum, vader van twee, komt nooit meer thuis. Hij deed gewoon zijn werk als advocaat. Nu is hij dood. Maar had hij dan de handdoek in de ring moeten gooien? En zou dat betekenen dat hij was gezwicht?

“Hé mam,” vraagt mijn zoon nogmaals. “Heb ik het goed gedaan?” Ik weet het antwoord niet. ‘Een volk dat voor tirannen…,’ rommelt het in me. Tegelijkertijd ben ik al lang blij dat ie ongehavend aan mijn eettafel in een pannenkoek zit te prikken.

Dan knik ik en zeg: “Ja jochie, je hebt het goed gedaan, denk ik. Maar morgen loop ik met je mee.”

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden