Plus Column

Een handje op Nico's wang

Roos Schlikker Beeld Oof Verschuren

"Hoe gaat het, Nico?" We zitten al een tijd tegenover elkaar, ergens tikt een klok en mijn oom Nico zoekt weifelend naar antwoord. Zijn onderkaak gaat op en neer, alsof hij zo de woorden naar binnen wil hengelen.

Dan gaat er een deur open. Nick & Simon schallen door de recreatieruimte van de instelling voor autistische ouderen waar Nico woont. 'Kijk omhoog. Naar de zon. Zoek niet naar een antwoord.' Een dame met verschrikt overeind staand piekhaar verlaat haar kamer.

"Goedemiddag!" zeg ik vrolijk, maar ze negeert me en schuifelt, blik star vooruit, langs ons. We zwijgen. Dan zet mijn tante Corine haar breedste glimlach op en zegt: "Ach. Wandelende takjes horen er ook bij."

Ze zijn de polen in mijn familie. Corine die hartjesbuttons uitdeelt aan iedereen die ze tegenkomt. Corine, die toen mijn moeder op de ic lag waar slechts gepiep van monitors en verpleegkundigengefluister klonk, monter de zaal op stampte en brulde: "Dag Emsje! Wat lig je er fijn bij. Ik heb kokosmakronen mee!"

De zaalarts keek verstoord, familieleden van andere patiënten loerden gegeneerd naar hun schoenen. Maar ik had Corine daar innig lief. Waarom zou je een comateuze niet op koeken trakteren? Het gaat om het gebaar. En Corine zit vol gebaren.

Nico is anders. Nico geeft niet. Hij ontvangt evenmin. Hij existeert. En ook dat niet van harte. Hij knipte als knaapje rouwadvertenties uit en was geobsedeerd door begrafenissen. Op een dag zag zijn vader hem in een lijkauto zitten. Hij bleek een baantje voor zichzelf te hebben geregeld bij de Friese Uitvaartvereniging. Nico was toen tien.

Nu zijn Corine en ik bij hem op bezoek. Volgens zijn begeleider geniet hij van die aandacht, maar het is niet te zien. "Hoe gaat het met je gezondheid?" vraag ik. "Niet gewelddadig," bromt hij. Corine en ik schieten in de lach. Nico blijft in zijn schoot staren.

Corine tovert cadeautjes en suikerwaar tevoorschijn. "Kijk, chocolaatjes." Nico houdt de bonbon in zijn hand, maar peutert het cellofaan er niet af. "68," bromt ie. Ik kijk hem vragend aan. "Toch? Ze was toch 68? Je moeder?"

Dan begrijp ik wat hij bedoelt. "Ja. Ze was 68 toen ze doodging." Nico's gezicht vertoont geen mimiek. "Jong," stelt hij vast. Ja. Jong.

Ik heb weinig tekst verder en zelfs Corine lijkt uitgebabbeld. Dan buigt ze zich voorover. Een handje op Nico's wang. De voorhoofden tegen elkaar. Haar peper-en-zouthaar vermengt zich met het zijne. "Hé jochie."

Nico beweegt niet. Ik vraag me af of Nico echt blij is ons te zien. Misschien is blijdschap voor sommige mensen te veel gevraagd.

Na een tijdje brengen we Nico naar zijn kamer.

"68. Ze was toch 68?"

"Ja, ze was 68."

"Jong."

Even is het stil. Dan murmelt Nico tegen me: "Ergens bij horen. Dat kan goed aanvoelen."

Samen sloffen ze voor me uit, Nico met scheve schouders en Corine met haar boodschappentas op wieltjes. Twee polen.

Ik knik. Nico heeft gelijk.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden