Nico Dijkshoorn.Beeld Artur Krynicki

Een hand onder je kin, daar kom je in een museum meestal mee weg

PlusNico Dijkshoorn

Het Stedelijk Museum Amsterdam heeft mij leren lopen. Door mijn hoofd. Er hangen een miljoen schilderijen in die kop van mij, ik moet ze alleen nog zien te vinden.

Dat dacht ik in 1992 allemaal nog niet, toen ik in het Stedelijk naar de lul van Jeff Koons keek. Ik zag maar een klein gedeelte, want hij zat in de anus van Cicciolina. Denkt u, om een beeld te krijgen, aan de achterkant van uw kat, maar dan kamerbreed.

Er stond iemand vlak naast mij. Dat hadden mijn ouders mij niet geleerd, hoe je samen naar een anus keek. Ik had mijzelf kunnen redden door mijn hand onder de kin te leggen. Daar kom je in een museum meestal wel mee weg. Het lijkt alsof je nadenkt, terwijl je eigenlijk zo in de war bent dat je je aan je eigen hoofd moet vasthouden.

Ondertussen voelde en beleefde ik van alles. Verwarring, schaamte, geen kant op kunnen, oorverdovend luid zwijgen, snel naar de volgende zaal willen lopen. Daar zweefden drie basketballen midden in een plastic zuil. Nooit keek ik meer hetzelfde naar een basketbal.

Het was niet de eerste keer dat ik in het Stedelijk Museum zocht naar een aantrekkelijke horizon. Tijdens mijn eerste bezoek – ik was 16 jaar oud – liep ik door het kunstwerk The Beanery, een levensecht café vol mensen. De hoofden waren vervangen door een klok. Het stonk er naar pis, er werd jazz gedraaid en voor het eerst begreep ik het concept café. Rusteloze, gehaaste zielen op zoek naar troost, tussen stoeltjes en asbakken.

Enkele dagen geleden liep ik door hetzelfde museum. De stenen trap, recht tegenover de oude ingang, ontroerde mij. Ik wist nog precies waar die trap mij ooit naar toe had geleid.

Ik kende toen alleen andijvie, honkbal en gehaktballen en opeens stond ik voor een schilderij waar gekleurde houten blokken op waren getimmerd. Dat mócht dus gewoon. Iemand had dat verzonnen en daarna ook echt gedaan. Het hing vlak voor mij, dus betekende het iets.

Jaren later liep ik met mijn dochter en mijn zoon over dezelfde trap. Ze deden wat kinderen op trappen doen. Liggen, hangen, mijn hand zoeken, naar boven kijken en niet weten waar je terecht komt.

Bovengekomen gunde ik ze alles wat ik zelf had meegemaakt. Ik zag ze twijfelen. Ze keken mij aan. Of ik even wilde uitleggen hoe dit werkte. Ik deed niets. Daarna zag ik ze voor het eerst samen een museumzaal in lopen. Een minuut later zouden het andere mensen zijn.

Nico Dijkshoorn schrijft twee keer per week een column voor Het Parool, en spreekt zijn bijdragen ook in. 

n.dijkshoorn@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden