Johan Fretz Beeld Artur Krynicki
Johan FretzBeeld Artur Krynicki

Een half miljoen en dan alsnog kakkend douchen. Dat was de druppel

PlusJohan Fretz

‘Je bent er echt zo.’ Het was een zinnetje dat ik de afgelopen jaren steeds vaker hoorde. 

Het kwam uit de mond van vrienden die kinderen hadden gekregen en plotseling naar Haarlem verhuisden. Zonder overleg. Jarenlang hadden we allemaal vrolijk afgegeven op al die dertigers die naar Haarlem vertrokken zodra de baby’s kwamen. Wij zouden het natuurlijk anders doen: voor altijd in Amsterdam blijven. 

Ook als jonge ouders zouden we ongetwijfeld nog weleens een nacht willen eindigen in de San Francisco. Maar toen de kinderen eenmaal kwamen, bleek het toch wat ingewikkelder: een heel nieuw, intens leven op driehoog-achter. Voor ik het wist, zei de een na de ander: “Je bent er echt zo. Een kwartier met de trein. Eigenlijk is het net klein Amsterdam.” En weg waren ze.

Ik bleef achter. In het verzet, het zelfbenoemde verzet weliswaar, maar daar zijn we in Nederland goed in. “Je bent er helemaal niet zo,” zei ik. “Het is emigratie. Jullie laten me in de steek.” Al werd ik stiekem wel verliefd op hun grote huizen, het feit dat zij nu naar de zee konden lopen en zich onderdompelden in een kalmte die mij volkomen onbekend voorkwam. Toch zou ik blijven. Dat had ik mezelf tenslotte beloofd.

Op de dag dat ik vanuit Almere naar Amsterdam vertrok, met een tas vol schone kleren onderweg naar mijn studentenkamer in de Kattenburgerstraat, kwam de trein met een grote schok tot stilstand. De lichten gingen uit. 

Het was pikdonker en ik was doodsbang. Het was 2005, de tijd van aanslagen in Londen en Madrid. Ik dacht: dat zul je net zien, ga ik eindelijk op kamers, ontploft de trein. De trein ontplofte niet. Ik kwam gewoon aan op Amsterdam Centraal.

En vijftien jaar later, toen ook bij mij het vaderschap zich aankondigde, weigerde ik nog altijd te vertrekken. Driftig ging ik op zoek naar een huis. Nog geen half jaar geleden schreef ik in deze krant dat een woning in Amsterdam-Noord zonder bad­kamer, met alleen een douchekop boven de wc, was verkocht voor 500.000 euro. 

Een half miljoen en dan alsnog kakkend douchen. Ik geloof dat dat de druppel was. Aan deze waanzin wenste ik niet langer mee te doen. Amsterdam, door liefdeloze projectontwikkelaars, pandjesbazen en investeerders verworden tot Blaricum aan het IJ.

Nu schrijf ik u vanuit mijn nieuwe, ruime werk­kamer in Haarlem-Noord. Ben ik toch nog een Noorderling geworden, alleen niet in mijn eigen stad. Het verzet is gebroken. Na nauwelijks een week daalt er een vreemde rust over me neer, alsof ik hier al lang aan toe was, zonder het te willen toegeven en tegelijkertijd mis ik hevig waar ik zo lang was, waar ik volwassen werd. Waar ik thuis ben.

Gisteren zat ik met een Haarlemse vriend in de tuin. Ik heb nu een tuin. Onze baby’s kropen vrolijk over het gras. De vriend had een tip voor me: een draadloze stofzuiger. “Je weet niet wat je meemaakt.” Ik veerde op, dit klonk mij, jonge vader, als muziek in de oren.

Zo gaat het blijkbaar. Ooit word je gelukkig van de nachten waarop je eindigt in de San Francisco. En op een dag word je gelukkig van een draadloze stofzuiger. Misschien is dat vooruitgang, ik ben er nog niet over uit. In elk geval kan ik natuurlijk zo vaak ik wil gewoon naar ‘mijn’ Amsterdam. Haarlem is niet Nieuw-Zeeland. Geloof me: je bent er echt zo.

Johan Fretz is schrijver en theatermaker. Hij heeft een wekelijkse column in Het Parool.

Reageren? j.fretz@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden